vrijdag 31 december 2010

Media anno 2010

Als je nadenkt over de redenen voor die verbluffende eenstemmigheid in het medialandschap, kom je tot een diagnose die met het ideaalbeeld van een kritische persstem nog maar weinig gemeen heeft. De moderne media-industrie is een harde business met veel concurrentie, waar met zo weinig mogelijk tijd, geld en personeel moet worden gevochten voor een schaars goed: de publieke aandacht. Een bijdrage die wil ingaan tegen de mainstream moet zijn afwijkende mening gedetailleerd motiveren, wat de inzet van veel middelen vereist: research, overleg en genoeg plaats in het blad, om de gebaande denkpatronen overtuigend te weerleggen. Het kost aanzienlijk minder inspanningen om de heersende mening te volgen. Wie in zijn commentaren schrijft en zegt wat iedereen toch al denkt, haalt de deadline op zijn gemak. En natuurlijk let elke redactie er met argusogen op dat de hype van de dag niet wordt gemist. Door flink van elkaar over te schrijven, vermijdt men woedende verwijten van de hoofdredacteur: ”Waarom hebben die dat en wij niet?””

Uit: Ilija Trojanow en Juli Zeh, Aanslag op de vrijheid

dinsdag 21 december 2010

In het Paleis

Opeens was ik toch een beetje trots toen ik afgelopen vrijdag na een hachelijke fietstocht onder de kroonluchters van het Paleis op de Dam zat. Dat had niet met de koninklijke ambiance te maken, maar met Birma. Een van de winnaars van de Prins Claus Prijs was het journalistenteam van het Birmese maandblad The Irrawaddy.
Terwijl de foto van de hoofdredacteur op het scherm voor in de zaal verscheen dacht ik eraan hoe hij 20 jaar geleden na de vlucht uit zijn vaderland op de vloer van een hok in Thailand zijn A 4 tjes met nieuws voltypte. Dat de hoofdredacteur van het inmiddels toonaangevende maandblad en ik onlangs een pittig journalistiek verschil van mening hadden, deed die middag van de prijsuitreiking even niet ter zake.
Ik dacht ook aan zijn collega’s in Birma die jaren gevangenisstraf riskeren voor verhalen waar hun naam niet eens boven kan. Wat een contrast is die noodgedwongen anonimiteit met de hijgerige kijk-mij-eens-stijl in veel van onze reportages.
En zo kwam het dus dat ik daar trots zat te zijn, al was het dan plaatsvervangend.

vrijdag 17 december 2010

Winkelmissie

Boekwinkels vind ik enerverend. Iedereen kent het wel: terwijl de stapel uitgekozen titels groeit, stijgt ook het schuldgevoel omdat er nog zo veel ongelezen exemplaren naast het bed liggen.
Maar met die aankopen begint de winkelescapade pas. Ik moet ook inspecteren of de boeken van vrienden wel zijn ingekocht en of ze een eervol plekje hebben. Als dat niet zo is, verzin ik een bestelling. Ook leg ik hun werk graag wat beter in het zicht en mogelijke concurrenten duw ik onverbiddelijk naar achteren. Zo hoort dat met de solidariteit van schrijvers onderling. Ik hoop natuurlijk van harte dat ze voor mij hetzelfde doen. Sinds we weten hoe Tommy Wieringa met hulp van vrienden Joe Speedboot tot een bestseller promootte, is zulk gedrag tenslotte niets om je voor te schamen.
Deze keer lukte de missie niet. De concurrent lag te stralen naast de kassa. Ik kon er toch moeilijk onder het oog van de verkoper mee aan het slepen gaan.
De vriendin met wie ik door de boekhandel dwaalde, was heel wat lakonieker. Toen ik vroeg of haar werk wel werd verkocht, antwoordde ze: "Vast niet" en winkelde bedaard verder. Ze schafte onder andere een boek met smakelijke schotels aan. Voor haar neef die hoognodig moest leren koken. Haar missie was in elk geval geslaagd.

donderdag 9 december 2010

Thriller WikiLeaks

Het valt niet mee om aan het werk te blijven deze dagen. De WikiLeaks thriller lokt. Macht en tegenmacht; je hoort de kaken knarsen.
Al dagenlang komen uit alle werelddelen verhitte mail- en skypeberichten van mijn collega's. De meesten zijn voor, een enkeling is tegen WikiLeaks. Ik zwabber tussen beide kampen heen en weer. Ik vraag me af of WikiLeaks voldoende kan en wil afwegen hoe het belang van publicatie zich verhoudt tot mogelijke schade die het openbaar maken van de informatie aanricht. Tegelijkertijd vind ik het zeer terecht dat de documenten leugens over de War on Terror en andere conflicten, het gebrek aan transparantie, de gestage ondermijning van de rechtsstaat en last but not least het falen van de journalistiek aan het licht brengen.
De Britse historicus en auteur Timothy Garton Ash verwoordt het dilemma zo: "There is a public interest in understanding how the world works and what is done in our name. There is also a public interest in the confidential conduct of foreign policy. The two public interests conflict."
De pogingen tot vervolging van Assange doen me denken aan de campagne tegen Daniel Ellsberg die The Pentagon Papers - over het desastreuze verloop van de oorlog in Vietnam - lekte. Het leverde hem Kissingers predikaat The Most Dangerous Man in America op. Net als toen laten overheden zich in de huidige klopjacht op klokkenluiders van hun lelijkste en minst democratische kant zien.
Nu ik dit heb opgetikt ben ik toch weer voor.

donderdag 25 november 2010

Moeder en zoon


Wie heeft er de afgelopen week niet gekeken naar de hereniging van Aung San Suu Kyi met haar jongste zoon Kim?
Daar sta je dan als volwassen man van drieendertig tegenover een moeder die je sinds je elfde nauwelijks meer hebt gezien. En wat deed Kim terwijl de militaire camera's op hem inzoemden? Hij trok zijn trui uit om zijn blote schouder te laten zien. Daarop prijkte een rode tatouage met een 'fighting peacock'. Dat is het symbool van zijn moeders partij: de Nationale Liga voor Democratie.
Zo moeder, zo zoon zou ik zeggen.
Ik ben benieuwd of de Birmese staatstelevisie dat gebaar ook uitgezonden heeft.

zondag 14 november 2010

Aung San Suu Kyi


Natuurlijk was het gisteren nog veel te vroeg om te concluderen dat de vrijlating van Aung San Suu Kyi een stap naar verzoening en democratisering zou worden. Natuurlijk kwam de "goed nieuws show" de junta prima uit na alle kritiek op de gefraudeerde en gemanipuleerde verkiezingen. Net als alle andere politieke gevangenen is Suu Kyi een pion in het cynische schaakspel dat de militaire leiders van Birma spelen. Maar toch was het een moment van grote vreugde voor velen toen met het vallen van de avond Suu Kyi's gezicht boven het hek van haar huis op University Avenue verscheen.
Ik keek naar alle hernieuwde hoop, verwachtigen en blijdschap om me heen en dacht aan de woorden van Pablo Neruda: "Je kunt veel bloemen vernietigen, maar de lente laat zich niet doden."

maandag 18 oktober 2010

Zenuwen in Singapore

Singapore is zo smetteloos als een net geinstalleerde keuken en zo veilig als mijn moeders tuin. En niet alleen zijn alle moderne gemakken er aanwezig - ze doen het nog ook. Dat wil in de omringende landen nog wel eens heel anders uitpakken. Toch werkt dit mini-staatje in Zuidoost- Azie behoorlijk op mijn zenuwen. Als ik geld wil opnemen preekt de cashmachine eerst de les van de dag: "Education's purpose is to replace an empty mind with an open mind." De tekst op de bus waarschuwt: "You may be jailed for selling illegal cigarettes. Don't get burned." Als ik in de taxi niet snel genoeg mijn gordel omdoe krijg ik een reprimande van de computer en hetzelfde metalen stemgeluid laat me weten dat ik mijn wisselgeld in ontvangst moet nemen. Kortom, het voelt alsof je de godganse dag ongevraagd onder supervisie van een personal coach staat. En wel een die totaal op hol geslagen is.
Een diplomatiek akkefietje waarvan ik de details liever niet onthul, deed mijn humeur in de tropische temperatuur nog verder onder het nulpunt dalen. Ik vluchtte een botanische tuin in. Daar was het in de lommerrijke stilte goed toeven. Tot ik ontdekte dat een van de fotogenieke orchideeen Thein Sein heette. Genoemd naar de premier van de bevriende natie Birma.

dinsdag 5 oktober 2010

Een Iraakse dame in New York

Daar stonden ze dan opeens midden in Manhattan, de bejaarde moeder Khala en haar dochter Ward. Khala had wandelschoenen aan om de New Yorkse straten te lijf te gaan, maar verder was ze op en top een dame. Lippenstift die kleurde bij haar paarse vest, een ring uit Bagdad, een ander met een robijn uit Bangkok en bijpassende oorbellen. We lachten even om de herinnering hoe haar juwelen in een kist in haar tuin begraven lagen toen Bagdad in 2003 meedogenloos geplunderd werd. Een paar jaar later op de vlucht naar Jordanie, smokkelde ze rinkelend als een klokkenspel haar schatten op haar lichaam mee.
Ze was ouder en strammer en ook stiller dan toen ik in Bagdad bij haar woonde. Maar tijdens de boottocht rond Manhattan herkende ik haar oude humor toen ze over de gids die met genante grappen en nutteloze feiten ons uitzicht op de skyline overschreeuwde zei: “Het is net alsof ik weer op school zit.”
Toen ze een paar uur later aan mijn arm door een pikzwarte wijk in Brooklyn wandelde onderbrak een groepje jongeren hun drukke gesprek om te roepen dat ik maar goed op mijn geweldige moeder moest passen. Ook de buurman nam haar met waarderende blikken op terwijl ze trap naar onze flat opklom. 82 jaar was Khala en nog altijd straalde ze de gratie uit die vroeger menig hoofd in haar richting deed draaien.

maandag 20 september 2010

De kunst van het vertellen

In dit tijdperk van verontrustend krappe mediabudgetten, een oververhitte informatiemachine die 24 uur per etmaal berichten uitspuugt en de terreur van infotainment zou je bijna vergeten hoe het moet: echte verhalen maken. Hier zijn er twee ter inspiratie van mijn dierbare collega Phillip Robertson.
http://philliprobertson.com/IRAQ/articles/victim/index.htm
http://dir.salon.com/story/news/feature/2004/05/01/arrested/

zondag 19 september 2010

Katten en cocktails in Bagdad

Het vertellen van de waarheid mag dan ons vak zijn, tegen het thuisfront liegen we er op los als het zo uitkomt. Degenen die min of meer gestationeerd waren in Bagdad bleken er het best in. Zoals mijn Amerikaanse vriend Phillip die in de beruchtste wijken van de hoofdstad zijn verhalen haalde. “Ik zit met een vriendin een cocktail te drinken aan het zwembad,” hoorde ik hem zeggen. Hij verhief zijn stem en drukte de telefoon tegen zijn borst om een over ronkende helikopter weg te censureren. “En er loopt net een kleine zwarte kat voorbij,” vervolgde hij zodra de rust in de lucht was weergekeerd. Hij legde me uit dat zijn moeder daarmee helemaal was gerustgesteld. Cocktails en katten zijn voor haar de ultieme indicaties van normaliteit. Toen hij in Afghanistan werkte was ze zo bezorgd dat ze in haar haast om de telefoon op te pakken tegen een kastje opliep en een rib brak. Dat wil hij haar niet nog een keer aandoen.
Een andere collega belde naar huis om te zeggen dat hij zich niet zo lekker voelde en daarom verstek liet gaan op het wekelijkse etentje. Hij kuchte overtuigend in de telefoon. Toen hij terug in Londen meldde dat hij beter was, werd hij onmiddellijk ontmaskerd. Zijn moeder had de gevechten rond de stad op televisie gezien en daarmee ook haar zoon die rondrende met zijn camera.
Overigens bestond dat thuisfront vooral uit moeders, want partners hadden degenen die langdurig in Irak verbleven meestal niet meer. We noemden het onder elkaar de ‘Baghdad Touchdown Call’. Nog maar nauwelijks hadden de wielen de landingsbaan van de Iraakse hoofdstad geraakt, of het telefoontje kwam dat de liefde over was.
Mijn moeder huldigde het motto: geen nieuws is goed nieuws. Een van de weinige keren dat ze belde, was ik net opgepakt door milities. “Alles is prima, maar ik ben even heel druk bezig. Ik bel je straks wel,” loog ik terwijl opgefokte types me in een auto duwden.
Thuis vroeg ik wat ze doet als ze zich zorgen maakt. Het bleek dat ze met de auto een stukje gaat rijden. Toen was het mijn beurt om ongerust te worden. Ze reed alleen op de zandweg, zei ze. Ik hoopte maar dat dat waar was.

dinsdag 7 september 2010

Birmese humor

Het was een Amsterdamse terrasavond, ontstolen aan de herfst. Vanwege de naderende verkiezingen in Birma vlogen de analyses en beschouwingen over de tafel “Wat houdt ons toch allemaal zo aan dat land gekluisterd?” vroeg een Britse journalist die al de bijbel over Birma op zijn naam had toen ik 18 jaar geleden voor het eerst met rebellen de jungle introk. Het was een goede vraag, maar ik wist het antwoord net zo min als hij. Daarom grapten we maar een beetje dat we hoogbejaard met rolstoel en al nog steeds niet uitgepraat zouden zijn over Birma.
Om redenen die er nu niet toe doen belandde ik jaren geleden op een politiebureau in Rangoon. Terwijl een agent moeizame pogingen deed op een verfrommeld kladblok mijn dossier aan te leggen, duwde een van de gevangenen in de cel zijn gezicht tegen de tralies en vroeg in statig Engels: “Can I help you madam?” Op mijn antwoord dat ik dat beter aan hem kon vragen begon hij smakelijk te lachen. Die gave tot humor in barre tijden, dat is bij nader inzien een van de dingen die mij aan Birma bindt.

vrijdag 3 september 2010

Een nieuwe pagina?

Huwelijksfoto van Khala in Bagdad 1957

“Through this remarkable chapter in the history of the United States and Iraq, we have met our responsibility. Now it is time to turn the page,” sprak president Obama een paar dagen geleden toen de gevechtstroepen zich terugtrokken uit Irak. Ik hoorde zijn speech en dacht aan Ward en haar moeder Khala die in Baltimore ongetwijfeld ook zaten te luisteren.
Net nadat het beeld van Saddam Hussein in april 2003 van zijn sokkel was getrokken kwam de hoogbejaarde Khala vanuit het buitenland terug naar haar geboortestad. Dat huzarenstukje was een familie-anekdote geworden en zelf vertelde ze die nog het liefst in de maanden dat ik bij haar logeerde om een boek te schrijven over het gezin en hun dagelijks leven in Bagdad.
Voor de oorlog hadden haar kinderen haar naar Abu Dhabi gestuurd. Ze vreesden dat Khala’s hart niet bestand zou zijn tegen de bommen. Maar zodra Khala daar op televisie had gezien hoe Amerikaanse troepen Bagdad binnentrokken, had ze met een gepakte koffer gezeten. Hoe ongewis de reis ook zou zijn, ze wilde naar huis. Als ze echt op dreef raakte deed ze nog weleens na hoe ze terugkwam in het holst van de nacht over de gevaarlijke weg van Amman naar Bagdad. Een rug als een bezemsteel, haar geld en juwelen in een buideltje op haar buik verborgen. In haar tas zat een kaartje met een tekst uit de Koran dat haar moest beschermen. De chauffeur had met haar te doen. “Ga toch slapen tante, ik let wel op,” zei hij. Maar Khala bleef alert. Ze had al twee nachten niet geslapen, die paar extra uur kon er ook nog wel bij.
Nu woont ze met haar dochter Ward als vluchteling in Baltimore, verjaagd door het gewelddadige en intelorante klimaat in het nieuwe Irak. Ook zij probeert die pagina waaraan Obama refereerde om te slaan. Dat maakte ik van dichtbij mee toen ik haar en Ward een jaar geleden bezocht in hun nieuwe bestaan in Amerika. Maar het lukt niet. Ze denkt nog elke dag aan Bagdad.

vrijdag 20 augustus 2010

Levensloop

Terwijl de Amerikaanse gevechtseenheden zich als dieven in de nacht terugtrokken uit een nog altijd instabiel Irak, kwam er goed nieuws over Oost-Timor. “Peace is there,” zei de nieuwbakken ambassadeur over zijn land toen mijn twee collega’s en ik hem ter afsluiting van onze vakantie in Geneve troffen voor een kopje koffie. Nadat er ruim tien jaar geleden een einde kwam aan de Indonesische bezetting, maakte zijn land alle groeipijnen van een pasgeboren staat mee. Dat Timorezen onderling slaags raakten toen de gemeenschappelijke vijand eenmaal zijn biezen had gepakt, waren traumatische dieptepunten. Maar als de vlammen doofden, stak toch trots dat het gelukt was met de onafhankelijkheidsstrijd, de kop weer op. Net als de hoop dat het op den duur goed zou komen met het kleine weerbarstige eiland.
Voor mij heeft die hoop te maken met mensen als de diplomaat. Hij had zijn lange staart -destijds zijn handelsmerk als mensenrechtenactivist- afgeknipt, maar verder was hij geen spat veranderd. Al maakte hij nu deel uit van de macht, hij was zijn eigen integere en rebelse zelf en ook de humor en passie hadden hem niet verlaten.
Even haalden we herinneringen op aan zijn ongewisse verleden onder de Indonesische bezetting. Aan de houten picknicktafels van de smetteloze luchthaven in vreedzaam Zwitserland leken die gebeurtenissen onwerkelijker dan waar dan ook. Alles bij elkaar klonk zijn levensloop inmiddels als een boek.
Mijn collega die in die turbulente tijden ook op Oost-Timor was, en ik vinden dat de diplomaat over niet al te lange tijd maar president moet worden. Wij komen dan naar Oost-Timor op vakantie in een hutje aan de kust. Het is meteen ook een goede lokatie om dat boek over hem te schrijven.

zaterdag 7 augustus 2010

Farts and Minds

Voor wie nog dacht dat het tij in Afghanistan ten goede aan het keren was, moeten de tienduizenden militaire dossiers die Wikileaks openbaar maakte, een schok geweest zijn. Al stamt het materiaal uit eerdere jaren, met de veiligheid gaat het ook vandaag de dag eerder slechter dan beter, en ook verder valt er weinig goeds te melden. Een Amerikaanse schrijfster en Afghanistan kenner die voor het eerst in haar carriere embedded was bij de troepen uit haar vaderland vond nog een andere reden waarom het maar niet wil lukken met COIN, de counterinsurgency strategie. De jeugdige Amerikaanse militairen die de ‘hearts and minds’ van Afghaanse burgers moeten winnen blijken tijdens vergaderingen in de dorpen regelmatig winden te laten in een poging op joviale wijze een band te smeden met hun gastheren. Volgens de Amerikaanse schrijfster is dat in de Afghaanse cultuur zo ongeveer het meest beschamende wat iemand kan doen. Wie niet in staat blijkt zijn onderste lichaamsdelen onder controle te houden wordt als man niet serieus genomen.
Je zou toch denken dat hun commandant ze de wind van voren geeft als dit gedrag vaker voorkomt.

woensdag 28 juli 2010

Postzegel Uruzgan

Het is altijd weer even wennen die overstap van de ene wereld naar de andere. Maar het is na al die jaren van reizen wel een vertrouwde vorm van bevreemding, dus dat scheelt. Veel onbevattelijker is het om te merken hoe de meeste Nederlandse media aan de vooravond van het vertrek van de troepen het even tragische als complexe verhaal van Afghanistan reduceren tot postzegel Uruzgan. De vraag wat ons leger daar wel of niet of slechts ten dele heeft klaargespeeld is natuurlijk een legitieme, maar het lot van Afghanistan zal er niet van afhangen. En dat lot, daar was het bij de Nederlandse inzet naar verluidt toch allemaal om begonnen?

zaterdag 17 juli 2010

Afscheid

Najib was in een bespiegelende bui. “Het leven is een gok. Soms gok je goed, soms gok je fout,” zei hij. Misschien kwam zijn stemming door mijn verhaal over de stervende Afghaanse militairen die ik zojuist in het ziekenhuis had gezien. Een vader die in het hospitaal werkte had min of meer bij toeval in het levenloze lichaam dat alleen nog dankzij een beademingsapparaat op deze wereld werd gehouden, zijn zoon ontdekt. Misschien kwam het door de passagier die met ruzie uit een taxi naast ons stapte. Terwijl hij aan zijn mouwloze vest rukte schreeuwde hij : “Meer geld heb ik niet. Moet ik je soms mijn kleren geven?” Het schokte Najib dat de taxichauffeur na die woorden geen mededogen toonde. Misschien kwam het ook door het naderende afscheid en ons gesprek over wat 4,5 maand in zijn land mij aan impressies opgeleverd had. De meesten waren grimmig. Heel grimmig zelfs.
Ondertussen bloeiden de zonnebloemen bij mijn tijdelijke thuis alsof Afghanistan niets dan goeds te wachten stond.

donderdag 15 juli 2010

Visvangst


Een dag tevoren hadden de Afghaanse militairen met wie ik op pad was een minibus met explosieven onderschept. Na al dat harde werken was het tijd me hun favoriete plek te laten zien vonden ze. Een meer van wazig smaragd waar ze op Afghaanse wijze vissen vingen. "Ik ben verliefd op mijn land," zei een van hen terwijl de kogels van een M 16 geweer in het roerloze water knalden.

zondag 11 juli 2010

Bij het Afghaanse leger

De hele dag was het verpletterend heet geweest in het Afghaanse legerkamp in Helmand. Nu bracht een briesje verkoeling en zo te horen beviel dat ook de krekels die zich ergens in het tuintje tussen de jonge amandelbomen en druivenranken verscholen. Melancholie hing in de schemerlucht. Aan een tafel vol frisse schijven watermeloen en glazen thee deelden de Afghaanse commandanten bij wie ik logeerde hun herinneringen. Dertig jaar vechten had zijn sporen nagelaten. De een was een fiks aantal kiezen en de punt van zijn tong kwijt. De ander dacht er nog vaak aan hoe een Russische mijn net nadat hij zich 28 jaar geleden had verloofd de linkerhelft van zijn lichaam tijdelijk had verlamd. Het waren verhalen die ze verzwegen voor hun familie en ze wilden niet dat hun zonen in het leger zouden gaan. Ver weg van het comfortabele hoofdkwartier in Kabul was oorlog niet iets heroisch of iets waar ze trots op waren. Het was gewoon iets waarvan ze wilden dat het ophield.

zaterdag 10 juli 2010

Militaire vragen

Toen ik in mijn burgerkloffie zonder helm en scherfvest de ISAF basis van Lashkar Gah binnenliep, voelde ik me een wezen van een andere planeet. Een wirwar van afkortingen vloog me om de oren. De vertrouwde kaart van Afghanistan veranderde in een onbekende plattegrond van legerkampen als Bastion en Robinson, genoemd naar een Britse militair die was omgekomen. Er was ook een basis die Leatherneck heette. Bij die naam kon ik me gezien de meedogenloze zon wel iets voorstellen, maar later hoorde ik dat het vooral te maken had met de zware bepakking die de Amerikaanse mariniers meezeulden. Ik wilde weten wie die namen zoal bedacht, maar dat kon niemand me vertellen.
Het merkwaardige was dat de mannen met wie ik zat te wachten op een helikopter die me van de internationale basis naar het Afghaanse leger zou brengen, mij als een soort deskundige beschouwden, toen bleek dat ik mijn tijd buiten het militaire apparaat doorbracht. Vrijwel allemaal hadden ze twee dezelfde vragen: “Wat denk je van de veiligheid?” En: “Boeken we vooruitgang?” Toen ik een Britse legerarts vroeg wat hij dacht dat er bereikt was zei hij: “De vooruitgang is dat onze technieken om de gewonden medische hulp te geven verbeterd zijn.” Na dat antwoord zaten we een tijdje zwijgend tegenover elkaar op de lege munitiekisten in de bloedhete tent.

vrijdag 9 juli 2010

Punctuele Taliban

De Taliban commandant en zijn collega waren stipte types. Exact op het afgesproken tijdstip kwamen ze op hun brommer aangetuft. Het voorgeprogrammeerde verhaal dat ze vertelden was bekend: ze wilden een islamitische staat en de belangrijkste reden waarom ze vochten waren de buitenlandse infidels. Veelzeggender vond ik hun houding en de lokatie voor de ontmoeting. Ze zaten er zelfverzekerd bij in het lemen huis langs een zandpad een paar kilometer ten westen van de provinciehoofdstad Lashkar Gah. Zo klein is dus het gebied dat de overheid en de buitenlandse troepen ondanks een groot offensief eerder dit jaar enigszins onder controle hebben.
Toen het tweetal weer op hun bromfiets stapte, dacht ik aan het adagium van Kissinger uit de Vietnam oorlog: "A guerilla wins if he does not lose."

donderdag 8 juli 2010

Little America

Gastvrijheid is een groot goed in Afghanistan, maar met zoveel enthousiasme als in Lashkar Gah was ik al die maanden nog niet begroet. Op de drempel van haar huis in de hoofdstad van de provincie Helmand gaf een verschrompeld vrouwtje me drie klapzoenen. Vervolgens kneep ze kirrend in mijn kin, terwijl haar witgekuifde man plechtig “Welcome, welcome,” zei. Het oude echtpaar had in de jaren zestig voor de Amerikanen gewerkt en mijn verschijning maakte overduidelijk goede herinneringen los. Zij fabriceerde kleding en speelgoed, hij beheerde een warenhuis met machine-onderdelen. Tientallen Amerikaanse families die betrokken waren bij ontwikkelingsprojecten, woonden in de stad en de gouverneur had zelfs een Amerikaanse echtgenote. Little America heette in die jaren het gebied dat nu vooral vanwege gevechten en opiumproductie het nieuws haalt. “Het was vrede en ik had een baan,” zei mijn nieuwe kennis. Ze kwekte er zo geanimeerd op los dat haar man nauwelijks gelegenheid kreeg een duit in het zakje te doen. Na een paar dagen in het zuiden waar vrouwen vrijwel onzichtbaar zijn of in vormloze lappen veranderen zodra er een man in de buurt komt, vond ik die gang van zaken een verademing. Ze vertelde met weemoed over de chocolate bars die ze kreeg als extraatje wanneer ze goed werk afleverde. Als ze de Amerikaanse troepen nu zou tegenkomen zou ze graag Hi tegen ze zeggen. Ze deed het voor met een gedecideerd handgebaar. Maar die kans was klein, want vanwege haar hoge leeftijd verliet ze maar zelden het huis dat zij en haar man met hun salaris van destijds hadden gebouwd. Toen een paar uur later op de weg buiten de stad drie pantserwagens me tegemoet reden, dacht ik aan hun verhalen. Ik kon me nauwelijks een ironischer wending van de geschiedenis voorstellen

dinsdag 6 juli 2010

Najibs woordenboek

Engelen: special forces from the God
Een zelfmoordaanslag: a body bomb
Een schildpad: a tank animal
Zwart geld: haram money
Een terrarium : a mini zoo

zondag 4 juli 2010

The Dutch Approach


Opgetogen wees een van de Afghaanse bewakers van de Nederlandse ambassade naar de kleine strook aarde voor de ingang. Daar deden hashplantjes hun best om volwassen te worden. Volgens een kenner kon je er net een joint of twee van rollen.

woensdag 30 juni 2010

Niet Opnemen

Als Najib minstens drie keer: “I am so sorry” zegt voordat hij van wal steekt, weet ik dat zijn verhaal over vrouwen gaat. Zoals toen hij de legende vertelde over Emir Abdur Rahman, de heerser die eind negentiende eeuw de scepter zwaaide over Afghanistan. Rond de vijver in zijn paleistuin liet hij tientallen Afghaanse schonen verpozen. Naar verluidt gooide de emir elke dag een appel in het water en wie de vrucht bemachtigde mocht (hier volgt vijf keer: “I am so sorry”) de nacht met hem doorbrengen.
Omdat Najib vaker met journalisten werkt, is hij contact met vrouwen die geen directe familie zijn gewend. Voor de meeste Afghaanse mannen is die omgang zo ongewoon dat zelfs het horen van een onbekende vrouwenstem opwinding veroorzaakt. Zo kan het gebeuren dat ik op de meest ongeschikte momenten telefoontjes krijg van mannen die mijn mobiele nummer ergens op de kop hebben getikt. De effectiefste methode om van zo’n beller af te komen is een Afghaan aan de lijn te laten die zijn sexegenoot op barse toon tot de orde roept. Sommige van mijn wraakgieriger vriendinnen stoppen de mobiel in hun tas en laten de verbinding lopen zodat de beller door zijn krediet heen raakt. Ik sla de nummers na zo’n eerste keer op onder: Niet Opnemen. Ik ben al tot Niet Opnemen 11.

dinsdag 29 juni 2010

Natuurlijke vijanden

“Journalisten.” De stugge gezichten en het gemompel van de twee Nieuwzeelandse militairen bij de betonnen muren van de ingang van het ISAF hoofdkwartier in Kabul spraken boekdelen. Media zijn bepaald niet populair nadat een artikel in het Amerikaanse muziekblad Rolling Stone het aftreden van generaal McChrystal veroorzaakte. Al was de Amerikaanse topmilitair bij lang niet alle manschappen geliefd omdat hij strengere geweldsinstructies instelde die soldatenlevens kostten en ook de hamburgertenten op de bases liet opdoeken, nu hij publiekelijk onder vuur is komen liggen sluiten de militaire gelederen zich blijkbaar. Ook een van de voorlichters van de internationale troepenmacht ISAF vond dat de journalist die de denigrerende opmerkingen van de generaal over zijn politieke bazen in Washington publiceerde, zijn boekje te buiten is gegaan. Nadat de mediaman zijn kritiek gespuid had, liet hij zien hoe de strenge geest van McChrystal ook in het hoofdkwartier nog rondwaarde. Bij een parkje met houten picknicktafels en zitjes dat zo ongeveer het enige groen was in de wereld van betonnen muren en containers zei hij: “Hij wilde de bomen omhakken en een schietbaan aanleggen." Hij concludeerde enigszins onlogisch: "Hij was een asceet.”
Er zijn geen aanwijzingen dat de Amerikaanse journalist in het gewraakte artikel ook maar iets uit zijn duim gezogen heeft. Bovendien zijn de spanningen tussen de militairen en de politici over het Afghanistan beleid en de botsingen tussen de diverse ego's berichten waar het publiek dat de oorlogsinspanningen financiert, recht op heeft. Maar de ergernis die de publicatie bij veel militairen veroorzaakte, legt de ingewikkelde relatie tussen legers en media bloot. Blijkbaar verwachten sommige militairen toch een zekere loyaliteit en discretie als journalisten in hun kringen worden toegelaten, vooral als het er minder mediageniek aan toe gaat. Maar media en militairen zijn geen bondgenoten. Hooguit zijn we af en toe een soort gedwongen lotgenoten. Nu het in Afghanistan slechter loopt dan was voorspeld en spindokters hun uiterste best doen om met goed nieuws te komen, zijn we meer dan ooit elkaars natuurlijke vijanden. En het is zoals een oude rot in het vak zei: “Wie aardig gevonden wil worden moet niet in de journalistiek gaan.”

donderdag 24 juni 2010

De aswolk en de generaal

Zo gooide de Ijslandse aswolk na alle drama’s ook nog roet in het eten voor McChrystal. Gestrand in Parijs met het militaire superteam kreeg een verslaggever van Rolling Stone een heel wat ontluisterender kijkje in de keuken dan goed was voor de carriere van de Amerikaanse generaal. De denigrerende opmerkingen over zijn bazen in het Witte Huis legden een verontrustend gekibbel tussen de militaire en de politieke top en een gebrek aan eenduidige visie bloot.
En de gevolgen voor Afghanistan? De counterinsurgency en ‘hearts and minds’ strategie van de ontslagen workaholic generaal die zelden meer dan vier uur slaapt, wordt ongetwijfeld door zijn opvolger Petraeus grotendeels voortgezet. De aanpak komt toch al uit diens koker uit de periode dat hij in Irak de militaire scepter zwaaide. Het is overigens een nogal overschat succes want veilig (naar schatting nog altijd 300 burgerdoden per maand), stabiel, wederopgebouwd en democratisch is Irak bij lange na niet. Bovendien is een van de belangrijkste redenen voor de afname van het geweld een hele trieste. Bagdad is sektarisch opgedeeld, vele soennieten en gematigde sjiieten zijn gedood of het land uit gevlucht. Zoals een Iraakse vriendin cynisch opmerkte: "The job is done."
In het ziekenhuis van Kandahar kon ik rond de bedden van gewonden van een bomexplosie bij een bruiloftsfeest niemand vinden die niet geloofde dat de Amerikanen het huwelijk hadden gebombardeerd. Alle feiten wezen er op dat het een zelfmoordaanslag was geweest. Bij het winnen van ‘hearts and minds’ gaat het echter niet alleen om de feiten, maar vooral ook om percepties. En er zijn maar weinig Afghaanse percepties waarin de Amerikaanse troepen niet als vijand figureren. Daar verandering in brengen is moeilijk zo lang de ziekenhuizen vol zijn.

woensdag 23 juni 2010

Terug in Kabul

De logica van Najib was als gewoonlijk onweerlegbaar. Toen ik vertelde dat de Taliban mullah in Kandahar geen buitenlandse troepen duldde, fulmineerde hij: “En toen de Taliban de dienst uit maakte dan? Het krioelde van de buitenlandse strijders: Arabieren, Tjetsjenen, Pakistanen enzovoort.” Hij vond het maar niets dat ik dat de geestelijke niet ingepeperd had.
Aangezien ik een week was weggeweest namen we het nieuws in Kabul door. Najib fileerde het bericht dat in het kader van meer transparantie de tegoeden van de president en hoge politici openbaar werden gemaakt: “Je denkt toch niet dat die leiders dom zijn? Het geld is in handen van allerlei familieleden en die hoeven niets te declareren.”
Er zijn maar weinig onderwerpen die Najib zo nijdig maken als corruptie. Terwijl zijn tirade voortduurde, wees hij voor de zoveelste keer aan wie de eigenaren waren van de protserige huizen die we passeerden. Najib heeft namelijk de kennis van een goed geinformeerde makelaar. Het leek me dat die informatie voor een ontvlambaar man als hij een zware last moest zijn.

maandag 21 juni 2010

War Games



Het boek War Games van Linda Polman wordt gretig gelezen in Afghanistan

zondag 20 juni 2010

De Karzaitjes van Kandahar

Een avond bij de neefjes Karzai bleek een inzichtelijke aangelegenheid. Het gastvrije duo had het gerieflijk in hun villa in Kandahar. Elk een gelikte Apple laptop en een blackberry, een arsenaal aan speelfilms, personeel dat de sterren van de hemel kookte en een loopband om de overtollige kilo’s er weer af te rennen. “Als we geen eigen omgeving creeeren worden we hier binnen een week knettergek,” zei een van het tweetal. Hun wereld was piepklein vergeleken bij het bestaan in de Verenigde Staten waar ze opgroeiden. Als neven van de president en van diens halfbroer Ahmed Wali Karzai, een machtig man in Kandahar, zijn ze een gewild doelwit voor aanslagen en ontvoeringen. De afgelopen maanden vervingen ze al zestig keer kapotgesprongen ramen. Zonder een gepantserde fourwheeldrive en dertig lijfwachten begaven ze zich niet buiten de zwaarbewaakte compound. Een paar jaar geleden verlieten ze de Amerikaanse westkust om hun ooms bij te staan in het proces van wederopbouw. “Wij zijn de tribale leiders hier,” zei de jongste van midden twintig. Die positie als adviseurs combineren ze met hun baan als eigenaren van een bedrijf dat logistieke werkzaamheden voor de buitenlandse troepen verricht. “A dog eat dog world,” omschreef hij de miljoenbusiness met honderden bedrijven die niet zelden letterlijk om contracten knokken. Het gesprek kwam ook nog op een bekende van de Nederlanders: Matiullah Khan, een krijgsheer uit Uruzgan die in de beveiliging zit. Vooral de Amerikanen betalen miljoenen aan zijn maffianetwerk om hun bases te bevoorraden. Dit tot ergernis van de Nederlanders die probeerden hem opzij te zetten, (maar die uiteraard voor hun toelevering evenmin om zijn wijdvertakte connecties heen kunnen). De Karzaitjes lachten om die polderpogingen. Volgens hun visie op het nieuwe Afghanistan was Matiullah juist de man om zaken mee te doen. Hij hield de boel op orde zeiden ze.

woensdag 16 juni 2010

De mullah en de Taliban gedichten

Zwetend in mijn burka ging ik bij de mullah op bezoek. De ommuurde tuin even buiten Kandahar was een paradijsje van stokrozen, geraniums en wijnranken. De kale rotsen die zijn huis omringden, kleurden roestbruin in de late middagzon. Met behoedzame gebaren schonk de mullah pepsi over het ijs in de ranke beschilderde glaasjes. Hij was een man die schoonheid apprecieerde, had mijn Afghaanse collega me al verteld. Toen zei hij met een lachje op zijn bebaarde gezicht: “Bel me op mijn mobiele telefoon.” Zodra de verbinding was gemaakt klonk als beltoon een gekwelde stem door de vredige omgeving. Het was een tekst van Abdul Aziz, een van de populairste dichters van de Taliban. “ Ik vrees niet voor het verlies van mijn leven of mijn huis. Ik ga een zelfmoordaanslag plegen en ik zal die taak met al mijn inzet uitvoeren.”
Terwijl hij de telefoon uitzette zei de mullah met overduidelijke passie in zijn stem: “Naar dat gedicht luister ik ieder etmaal.” Er zijn veel meer Kandahari's die net als hij verklaren dat het strookt met de principes van de islam om bezetters te vermoorden. Ook in de conservatieve Pashtuncultuur is het verdrijven van ongewenste vreemdelingen een heilige taak. “Het zijn emotionele teksten en ze motiveren ons om het land te verdedigen tegen buitenlanders,” legde de mullah de aantrekkingskracht van de Taliban poezie uit. Sommige gedichten gaan over de islam en over de liefde en ook die onderwerpen raakten een snaar bij de geestelijke. We zaten er aangenaam bij in de minikeukenhof en er was veel te vragen, maar de zon begon te dalen en de mullah moest zich voorbereiden op gebed. Op de valreep verwoordde hij nog het standpunt van de Taliban: “Zolang zich buitenlandse legers op ons grondgebied bevinden zal er in Afghanistan geen vrede zijn.”

woensdag 2 juni 2010

Vrede en oorlog

Taliban-jan noemde president Karzai vanmorgen de opstandelingen tijdens zijn openingsspeech voor het vredesoverleg. Het is onder vrienden een gangbare term om genegenheid te tonen. Een minuutje of tien later kwam de reactie van de Taliban-jan: raketten. Rondom het universiteitsterrein waar de driedaagse bijeenkomst wordt gehouden, ontstond een pandemonium. Nog meer explosies, geweervuur, helikopters. Politie, leger en anti-terreureenheden raasden rond op zoek naar de daders. De 12000 veiligheidstroepen hadden niet kunnen voorkomen dat de drie of vier zelfmoordenaars, volgens regeringswoordvoerders deels vermomd in burka de omgeving waren binnengedrongen met raketten en geweren.
Golden Tour taxiservice deed zijn naam eer aan, want nadat we ons door de paniekerige controleposten hadden heengekletst, reed de chauffeur zonder blikken of blozen in de richting van het geweervuur. Een paar uur later waren de daders gedood en een van hen opgepakt en de rust keerde weer. Al viel de materiele schade met twee gewonden mee, het was een symbolische knauw voor een overleg dat toch al met zo veel scepsis was omgeven.
Massaal waren de internationale media neergestreken in Kabul om verslag te doen van het overleg van 1600 uitgekozen gedelegeerden die een route en mechanisme moeten vinden voor vrede met de Taliban en andere gewapende opstandelingen. Internationale donoren hadden hun beurzen getrokken, posters met vredesduiven waren opgeplakt, het jeugdorkest had ijverig geoefend op het volkslied en er was tot het laatste moment aan het wegdek geklust.
Maar de geldverslindende gebeurtenis die internationaal voor zoveel ophef zorgde, werd in Afghanistan met heel wat minder aandacht en enthousiasme gevolgd. Ik trof nogal wat mensen die de bijeenkomst volledig was ontgaan. Anderen meenden dat het evenement iets met de aanstaande parlementsverkiezingen te maken had. En wie er wel van op de hoogte was, reageerde meestal met scepsis. De gedelegeerden waren immers door de regering uitgekozen en de bijeenkomst was streng geregisseerd. Sommige deelnemers maakten zelfs een angstige indruk. Ook ging het hardnekkige en wat mij betreft zeer geloofwaardige gerucht dat de slotverklaring allang op papier stond. “Er zijn al zo veel grote vergaderingen geweest en ze hebben nooit vrede gebracht,” verwoordde een onderwijzer in de westelijke stad Herat de mening van velen. Een man met een spierwitte baard, brilleglazen als jampotjes en een wandelstok die glansde alsof hij speciaal voor de gelegenheid opgewreven was, zei nadat hij uit de jirga kwam: “Toen ik senator was, waren de deelnemers door de bevolking uitgekozen en ze hadden een rein hart.” Na die vermanende woorden wandelde hij kalmpjes het zwaarbewaakte wegdek op.

zaterdag 29 mei 2010

NO TAX



Voor wie per abuis de behoefte voelt belasting te betalen op Kabul International Airport.

woensdag 26 mei 2010

Een wondermiddel

In de auto dacht ik na over de lokatie van het zojuist gehouden interview. Niet alleen tegen het wachthokje van de bewakers buiten, ook tegen de binnenkant van de muren leunden zandzakken en op de kleine parkeerplaats patrouilleerden potige bewakers met geweren. Zo zaten de medewerkers van de landelijke mensenrechtencommissie er dus bij in hun hoofdkantoor. Ik was er aanvankelijk gedachtenloos naar binnen gestapt. Dat risico loop je als je te lang in een wapenarsenaal als Afghanistan verblijft.
Terwijl de ironie van die situatie tot me door begon te dringen, bracht Najib de auto met een schok tot stilstand. Even dacht ik nog dat hij een bekende ging begroeten. Als ex-politieman kent hij de halve stad en het aantal keren dat hij in de verkeerschaos een vriend ontwaart is dagelijks niet te tellen. Maar deze keer betrof zijn enthousiasme een verfrommelde bejaarde die een ezel met een vracht groen door de drukte sjorde. “Shiebed. Dille,” riep Najib. Dille is volgens hem een wondermiddel. Het werkt tegen een te hoge bloeddruk, geneest maagzweren, doet migraine verdwijnen, is veel goedkoper dan de dokter, en het ruikt nog lekker ook. Voordat ik iets had kunnen zeggen was hij al de auto uit.
Het was spitsuur. Een bedelaar met twee prothesen in een karretje werd door een jochie voortgeduwd, elegante hooggehakte vrouwen in rechte enkellange rokken haastten zich van kantoor naar huis, een aantal gepantserde fourwheeldrives zonder nummerborden duwden andere weggebruikers opzij, er werd getoeterd, geschreeuwd, getimmerd en gegraven, en dat alles in de meihitte. Plotseling barstte op het dak van de auto een pandemonium los. Door het half openstaande raampje wrong zich een gezicht met uitpuilende boze ogen. “Problem, problem,” schreeuwde de agent boven zijn geroffel uit. Toegegeven, we stonden niet al te netjes ingeparkeerd, maar dat leek me gezien de totale chaos die ons omringde een detail dat er niet echt toe deed. Mijn beleefde uitleg over de dille aankoop vergrootte de woede alleen maar en ik besloot de situatie te negeren totdat Najib weer zou verschijnen.
Toen hij terug kwam met een grote bos dille onder zijn arm vroeg ik hem de hysterische agent te laten weten dat we zijn hoogste baas persoonlijk kennen. Najib vergrootte zijn borstkas en sprak drie namen uit op een toon alsof het banvloeken waren. De agent kromp ineen en bood zo bibberig excuses aan dat ik meteen alweer spijt had van mijn verzoek. Najib had geen last van gewetensnood. “Een idioot en drugsgebruiker,” luidde zijn oordeel.

zondag 23 mei 2010

Een nieuwe generatie politici

Sona is een geval apart. Zo opgewekt en energiek zijn er niet veel in Afghanistan. Kwiek stapte ze in haar zwarte broekpak met kanariegele sjaal voor me uit om haar radiostudio te laten zien. Die bevond zich in het hoofdkwartier van de internationale troepenmacht ISAF in Kabul. In een kubus met een tafeltje, computer en schakelpaneel produceerde ze haar programma met positieve berichten over Afghanistan. Buiten dat rijtje prefab blokken bevond zich een wereld die nogal botste met de goed nieuwsshow vanaf de militaire basis. Bewakers, betonnen muren, kraaienpoten en prikkeldraad. Ik had er associaties met de ‘groene zone’ in Bagdad en net als daar kom ik in Kabul liefst zo min mogelijk in de omgeving van zo'n megadoelwit waar het bestaan bovendien mijlenver afstaat van het leven in de straten. Sona lachte bij de vraag of ze niet bang was om naar haar werk te gaan. “Ik moet een mate van gevaar aanvaarden en me er niet door laten verslaan,” zei ze. En op een toon alsof het vrolijk stemmend was vervolgde ze: “Vanwege mijn kandidatuur voor de parlementsverkiezingen loop ik straks nog meer risico.” De volksvertegenwoordiging bevindt zich eveneens achter zware muren en bewaking, wat nogal deprimerend overkomt voor een symbool van het nieuwe Afghanistan. Ik vond Sona's moed en optimisme bewonderenswaardig. Ze had die van haar moeder zei ze.
Najib snoof misprijzend toen we het afgebakende hoofdkwartier achter ons lieten en weer op minder smetteloos plaveisel belandden. “Ze bouwen met al die dollars muren maar geen wegen.” En toen een agent bij een controlepost mij vroeg: "Tafang dari? heb je een wapen?" hoonde hij: “Natuurlijk niet, ze is journalist.” We spraken af dat ik een volgende keer bij die vraag mijn pen zou laten zien.

donderdag 20 mei 2010

Complotten

De Amerikaanse narcoticadeskundige was midden in een betoog over de geheimzinnige schimmelinfectie die de Afghaanse papavers teisterde, toen het noodlot toesloeg. In de overvolle bar, een van weinige lokaties in Kabul waar nog een heel scala aan alcoholische dranken wordt geschonken, morste ik rode wijn over zijn grijze kostuum met krijtjesstreep dat hij voor 600 dollar had aangeschaft. Hij was zo van zijn apropos dat zijn uitleg bleef steken bij de verklaring dat de schade heel wat minder dramatisch was dan door sommigen wordt aangenomen en dat dit soort ziektes de afgelopen jaren vaker voorkwam. Maar onder Afghanen waart een heel andere verklaring rond voor het feit dat een deel van het lucratieve gewas op apegapen ligt. Volgens hen hebben buitenlandse drugsbestrijders de hand in de mysterieuze infectie. Een boer verklaarde zelfs dat hij zag hoe er geel poeder was gesprayed dat zijn tarwe aantastte en het vee ziek maakte. Wie logisch redeneert zou waarschijnlijk eerder tot de conclusie komen dat het resultaat te weinig indrukwekkend is om onderdeel te zijn van een internationale bestrijdingsoperatie. Maar in Afghanistan zijn complottheorieen even talrijk als de moerbeivruchten die deze weken de bomen sieren, en geruchten tieren net zo welig als de geheimzinnige schimmel in de papavers zelf. Zo is het een gangbare opvatting dat de Taliban in werkelijkheid niet bestreden, maar juist gesteund wordt door Amerika. Volgens de aanhangers van deze theorie valt anders niet te verklaren dat de militaire miljardenoperatie met al zijn geavanceerde technologie niet in staat is een eind te maken aan de strijd van veel minder goed geoutilleerde tegenstanders. De realiteit dat er nog heel wat meer redenen zijn voor het voortwoekeren van het conflict delft het onderspit tegen de overtuiging dat de continuering van het conflict een voorwendsel is voor een langdurig verblijf van buitenlandse troepen. Zo valt de invloed van Amerika’s aartsvijand Iran onder controle te houden. En hoe langer de oorlog duurt hoe hardnekkiger die gedachte postvat. Het doet me denken aan Irak waar ook de meest onwaarschijnlijke verhalen over samenzweringen circuleren. Terwijl de elektriciteit om technische reden uitviel waren er Bagdadi’s die meenden dat de Amerikanen het hen op die manier moeilijk wilden maken. Ze konden namelijk niet geloven dat die reparatie zo lang op zich liet wachten. Saddam had dat immers na de Eerste Golfoorlog heel wat sneller voor elkaar.
Complotdenken floreert in landen waar machthebbers geen verantwoording hoeven af te leggen over hun handelen en waar wantrouwen voor inwoners een tweede natuur is. Niet alleen fysiek, ook mentaal verkeren Afghanen in een ongewisse wereld. Najib gaf lucht aan dat gevoel toen hij in een hulpeloos gebaar zijn schouders ophaalde en zei: “Ons land is als een voetbalveld waar anderen hun wedstrijd spelen.”

woensdag 19 mei 2010

Taliban virus

De ochtend begon met een fikse explosie. Een paar uur later berichtte een Afghaanse vriend dat hij in de wijk waar de zelfmoordaanslag plaatsvond een agent met menselijke hersenen in een plastic zak tegenkwam. Aangezien hij behalve journalist ook arts is, twijfelde ik geen moment aan die gruwelinformatie. Een woordvoerder van de Taliban liet weten dat zijn organisatie verantwoordelijkheid was voor de aanslag die aan zeker 18 mensen, voor het merendeel Afghaanse burgers, het leven kostte en tientallen verwondde. Mijn vriend die regelmatig een van de tientallen Taliban nummers afbelt voor een reactie, kreeg temidden van de omineuze boodschap ook nog te horen: “Mijn computer heeft een virus, kun jij ‘m niet repareren?”

woensdag 12 mei 2010

Red Hot 'n Sizzling

Het was ongekend stil in Red Hot 'n Sizzling, een restaurant in Texaanse stijl dat bijpassende megasteaks serveert. De Rambo's van beveiligings- en andere bedrijven die net als in Irak in Afghanistan massaal aanwezig zijn, lieten het afweten nu er nog steeds geen alcohol werd geschonken. De Afghaanse politie wachtte op het smeergeld en dat was deze keer heel veel, vertelde een van de medewerkers van het etablissement. Hoeveel? "Erg veel," luidde het antwoord. Omdat er verder niets te beleven viel, bestudeerden mijn tafelgenoot en ik de muren. Wie 50 dollar of meer betaalt mag de roodbruine bakstenen signeren. Zo stond er: "Happy the Taliban want to kill us day. 1 st anniversary 16 January 2008". Ook lazen we "Pappajoe" in hanepoten. Die handtekening had een Zuidafrikaanse vechtersbaas 500 dollar gekost. Omdat het zo'n opvallend plekje net achter de bar was.

zondag 9 mei 2010

Op de lange latten


“De weg houdt hier op. Waar gaan jullie heen?” riep een verbaasde vrouw gehuld in een wijde broek en doeken toen onze auto het terrein rond haar lemen boerderij opreed. Dat vroeg ik me ook af terwijl ik de ski’s uit de achterbak trok. In het voorjaarslandschap van bloeiende appelbomen en aardappelakkers leek wintersport onmogelijk ver weg. Drie meisjes met zwarte lammetjes in hun armen staarden verwonderd met hun moeder mee naar de onverwachte bezoekers, maar de achttienjarige zoon van de familie rook dat er zaken te doen waren. Voor 200 Afghani (ongeveer drie euro) had hij een ezel te huur die de ski’s naar de sneeuw zo’n twee uur klimmen verderop kon sjouwen. Ski’s was overigens een te groot woord voor mijn latten die timmerlieden in de bazaar van Bamiyan vervaardigd hadden. Het waren planken met een ijzeren beugel voor de tenen en een stoffen gesp voor om de hiel. Een dun laagje aluminium aan de onderkant moest ze soepel laten glijden. “Ik zou echt afraden die dingen te gebruiken,” had Jawad een nieuwbakken Afghaanse ski-instructeur hoofdschuddend geadviseerd voordat we op pad gingen. Zelf had hij wijselijk een Europees model uit de berg tweedehands exemplaren gevist.
Het was een tocht voor doorzetters. Mistflarden maakten de 4000 meter hoge wereld kil en klein. Al snel liep Jawad te hijgen tegen de steile helling. “Toen ik nog guerrillastrijder was had ik hier minder moeite mee,” pufte onze chauffeur en ex-commandant Abdul Raouf die op simpele nepleren schoenen zonder sokken en met zijn handen op de rug gestaag voorop ging. Ik vroeg me af of ik niet beter een dagje langer had kunnen acclimatiseren in de ijle lucht.
De sneeuw plakte na de nachtelijke regen. De lokale ski’s met hun krakkemikkige bindingen maakten afdalen tot een halsbrekende exercitie. De houten skistokken waren een halve meter tekort waardoor ik als een gebochelde bejaarde door de sneeuw ploegde. Jawad was zijn rol als skileraar vergeten. Met een frons van concentratie gleed hij op zijn Europese latten in een schuine lijn langs de helling. Bochten draaien behoorde nog niet tot zijn vaardigheden. Toen hij apetrots en veilig beneden was, wilde ook Abdul Raouf wel een poging wagen. De oud-commandant had nog geen stap gezet of hij belandde al ruggelings in de sneeuw. “Skien is moeilijker dan vechten,” constateerde hij met een gegeneerde lach.

vrijdag 7 mei 2010

Hotsen en botsen naar Bamiyan


De weg van Kabul naar Bamiyan in Centraal Afghanistan is nog altijd een ware aanslag op het gestel van de auto - en op dat van de chauffeur. Maar oud-commandant Abdul Raouf had voor hetere vuren gestaan toen hij met de Hazara strijders tegen de Taliban vocht. Hij scheurde door de bergen alsof het nog altijd oorlog was in een van de rustigste provincies van Afghanistan. En passant duwde hij ook even een onwillige ezel langs een vrachtwagen die in de modder was gestrand. Na acht uur hotsen en botsen wachtte het uitzicht op het rotsmassief waar de Taliban negen jaar geleden de ruim 1400 jaar oude Boeddhabeelden opbliezen.

maandag 3 mei 2010

Wilde dieren

Najib zag er tien jaar jonger uit terwijl we door de straten van Kabul laveerden. Hij had zojuist gehoord dat zijn twee zoons na een tocht van drie weken veilig in Duitsland waren aangekomen. Hij had me het goede nieuws nog niet verteld of zijn telefoon rinkelde. “Nu kunnen je ogen weer helder zijn,” zei een kennis die het bericht ook al had vernomen. De Afghaanse tam tam werkt sneller dan welk medium ook.
Zo kwam er ook een einde aan het hektische gebel met de keten van mensensmokkelaars die betaald moesten worden voor de overtocht. Najib rekende me voor hoe dat bij elkaar een fiks aantal Afghaanse jaarsalarissen was.
Niet dat het daarmee rustiger werd op zijn telefoon. Er is altijd wel iemand die een beroep op hem doet vanwege zijn uitgebreide netwerk. Zo meldde zich een man die wegens illegaal bouwwerk op de heuvels van Kabul door de politie was opgepakt. In de lemen blokkendozen wonen de armsten die in de overvolle stad geen plek kunnen betalen. Najib beloofde zijn best te doen om hem uit de cel te krijgen. Toen de man voor de zoveelste keer met hetzelfde verhaal aan de lijn hing, duwde Najib met een diepe zucht de telefoon tegen mijn oor. Een paniekerig geschreeuw in Dari werd mijn deel. “Later, mister Najib is busy now,” riep ik terug. De stem explodeerde. Toen ik voor de tiende keer een woedend : “No, no, not busy!” had aangehoord hing ik maar op.
Najib legde uit waarom de communicatie zo geagiteerd verliep. Zoals vaker sneed zijn amateur analyse van de Afghaanse psyche hout. “Dertig jaar oorlog en nog altijd zo veel zorgen om het dagelijks bestaan. Onze geest is niet meer normaal.” Daardoor kwam het volgens hem dat veel Afghanen onmiddellijk in de vechtstand schoten als er problemen waren. Om zijn conclusie te illustreren boog hij zijn gezicht naar het stuur, trok zijn voorhoofd in de zwaarst mogelijke frons en blikte woest om zich heen. “We zijn als wilde dieren. Altijd boos, altijd op zoek naar voedsel.”

zondag 2 mei 2010

Vandaag verschenen

Dit kwam op mijn scherm toen ik in het cafe van een groepje Afghanen mijn blog bij wilde werken. Even dacht ik dat ik in Birma was. Het kan toch niet zo zijn dat de vermelding van Johnnie Walker en Che Guevara in mijn vorige bericht de alarmbellen hebben doen afgaan. Wordt vervolgd waar dit precies over gaat.

Ministry of Communications & IT
Islamic Republic of Afghanistan



Website Blocked

It is our constant endeavour to maintain the perfect balance between ensuring that all our customers' requirements are met, and that we comply with all the guidelines of the Afghanistan Telecom Regulatory Authority (ATRAA) including those on internet content filtering.
The World Wide Web offers us great opportunities to get and share information and to communicate. However, it is imperative that when making use of this technology for its enormous benefits, we respect the moral, social and cultural values of the Islamic Republic of Afghanistan.

ATLAS Afghanistan will be blocking all content that is not in line with these values, effective from 17 April 2010. Due to the nature of the content filtering process, some harmless sites may also inadvertently be blocked. We request our customers' assistance in informing us when a site that they consider harmless has been blocked, by writing to support@sky-stream.com so we can look into the matter.


Useful Links: MCIT | ATRAA | Atlas Afghanistan | Sky-Stream | NETLINKS | Jobs in Afghanistan

zaterdag 1 mei 2010

Winkelmissie


Ik was maar drie dagen in Nederland en toch was mijn tas loodzwaar toen ik terugreisde naar Kabul. Dat had behalve met de boeken die ik voor mezelf meesleepte, ook te maken met het verlanglijstje van een paar Afghanen. De een smachtte naar Johnnie Walker nu vanwege invallen in winkels en restaurants die alcohol verkochten, de prijs van een fles tot de recordhoogte van 170 dollar was gestegen. De ander die een overtuigd communist is, wenste zich al jaren een biografie over Che Guevara. Het boek woog wel twee kilo. De derde, die ik voor een uiterst serieus man gehouden had, bleek juist over mondaine verlangens te beschikken. Hij wilde dolgraag een paar Nederlandse schoenen. Als een ware kenner mailde hij de details: een breed veterloos model van zacht grijs leer.
Opgetogen stapte ik aan boord van Safi Airways. Niet alleen omdat de winkelmissie was geslaagd, maar ook omdat ik er naar uitkeek om weer aan de slag te gaan in Afghanistan.

maandag 26 april 2010

Gevaar uit onverwachte hoek

Er klonk een knal en dikke glasscherven vlogen door mijn kamer. Het bleek geen aanslag, maar de aktie van een buurtboefje. Vanaf het platte dak had hij met zijn kattenpult een steen door de ruit geschoten. Op het bed waar ik even tevoren nog had zitten tikken lagen glazen dolken. Ook in Kabul komt het gevaar soms uit onverwachte hoek.
Een paar uur later mat een enigszins gegeneerde vader de maat van het raam op. Hij beloofde zijn zoon een reprimande te geven. Het was een alledaagse uitwisseling, zoals dat gaat tussen buren, maar daardoor besefte ik weer eens dat mijn vier huisgenoten en ik anders dan de meeste buitenlanders die achter zware muren met bewakers zitten, gelukkig nog deel uitmaken van de wijk. We doen boodschappen in de kleine supermarkt en het groentenwinkeltje, wisselen in simpel engels en dari met deze of gene nieuwtjes uit en bezoeken te voet de nabijgelegen restaurants. Kortom, we voelen ons er thuis.
Verder waren het enerverende dagen. De aswolk stuurde al onze reisplannen danig in de war. De ene helft van het huishouden moest het land uit, de andere helft wilde er juist weer in. Ambassades, vrachtvliegtuigen, ghurka’s, militairen, KLM-ers; alle contacten werden aangeboord. Het mocht allemaal niet baten. De enige die temidden van alle commotie onverstoorbaar doorschuifelde was onze huisvondeling, de schildpad. En een land als Afghanistan doet je natuurlijk heel goed beseffen dat er ergere dingen zijn dan je eigen prijsuitreiking missen. Ik begreep dat het feestje erg geslaagd was.

maandag 19 april 2010

Afghaanse bureaus

Informatie vanaf Afghanistans -vaak computerloze- bureaus is notoir onbetrouwbaar. Niet noodzakelijkerwijs omdat employees er op uit zijn om te liegen, maar gewoon omdat ze ze maar wat zeggen om van lastige kwesties af te zijn of omdat ze.de wirwar van voortdurend veranderende regels ook niet kennen. Administratieve handelingen zoals de verlenging van een visum kunnen daardoor in een ware exercitie in geduld ontaarden. Benodigde documenten verschuiven van het ene bureau naar het andere zonder dat duidelijk is waarom. Of ze verdwijnen ergens op een plank in ordners om er nooit meer uit te komen.
Laatst stond ik na dagen heen en weer gependel te wachten op een cruciale handtekening voor mijn visum, terwijl de degene die daarover ging een meter verderop vol overgave een Bollywoodfilm op een sneeuwend tv scherm bestudeerde. Maar in die verloren momenten is er altijd wel iets dat de moeite van het zien of horen waard is. Zo vertelde een medewerker in een keurig donkerblauw kostuum met das hoe het er voorstond met de veiligheid in zijn geboorteplaats, zo’n half uur buiten Kabul. Hij streek met zijn vinger langs zijn keel. “Daar vermoorden ze mensen zoals ik.”
Uitbreiding van het ambtenarenapparaat in de provincies was een van de Nederlandse aanbevelingen op een recente donorconferentie in Londen. Maar hoe motiveer je mensen om dat soort ongewisse banen te bekleden?
Soms ook geven die verplichte visites hoop, zoals dat aan het Ministerie van Sociale Zaken, Arbeid, Invaliden en Martelaren. Ik manoevreerde langs een paar gehandicapte mannen naar ambtenaren achter tafels vol paperassen, maar die hadden geen idee wat de procedure voor een werkvergunning was. Toen dook temidden van al die vaagheid en verwarring een pittige Engels sprekende hooggehakte jongedame op. Ze keek misprijzend toen ook haar jaren oudere baas de papieren van zich af schoof en ons naar een niet ter zake doend departement wilde doorverwijzen. Ze overtuigde hem om toch een handtekening te zetten en zei toen tegen haar mannelijke leeftijdsgenoot die in een hoek van de kamer achter en computer zat: “Laten wij dit maar verder afhandelen.” Inderdaad rolde het document even later uit de printer.

zaterdag 17 april 2010

As? Hoezo as?

Het luchtveerkeer in Europa mag dan vrijwel uitgeschakeld zijn, Safi Airways dat vanuit Kabul rechtstreeks naar Frankfurt vliegt, liet zich niet op de kop zitten door een spuwende vulkaan. Tot twee uur geleden bleven de employees bezweren dat hun vliegtuigen gewoon volgens schema in Frankfurt zouden arriveren. Op mijn vraag waar ze dan dachten te gaan landen nu de luchthaven gesloten was, luidde het antwoord: "In Frankfurt madam." Maar ze beloofden me te bellen als het overhoopt toch anders liep.

vrijdag 16 april 2010

Gisteren vandaag en morgen

Een verzuchting die ik veel hoorde tijdens mijn recente bezoek aan Kandahar: "Gisteren was beter dan vandaag en vandaag zal beter zijn dan morgen." Aan die woorden moest ik denken toen ik met de belaagde stad in het zuiden belde. Mijn ene Afghaanse collega vertelde hoe de bomexplosie hem tegen de grond gesmeten had. "Nu weet je waarom ik zo duur ben," riep hij nog even ter herinnering aan de ruzie die we over zijn honorarium hadden gehad. De andere zat tussen kapotgesprongen ruiten te werken aan een verhaal over de aanslagen.
Op zoek naar vrolijker nieuws reed ik met mijn chauffeur Najib naar de skateboard baan. Het zou een hit zijn onder de Afghaanse jeugd voor wie de sportmogelijkheden bepaald niet voor het oprapen liggen. Het was inderdaad een ongekend vrolijke bende in de hal. En meisjes raceten er met net zoveel vuur en lef van de houten hellinkjes af als de jongens.
Najib had ondertussen andere zaken aan zijn hoofd. Niet alleen zoon Een, ook Nummer Twee had inmiddels het land verlaten. Ze hadden elkaar getroffen in Turkije. Na een paar zenuwslopende dagen van stilte, belden de twee dat ze in Griekenland waren aangekomen. Het wachten was nu op de doorreis naar Italie. Aan vader Najib de taak om de duizenden zuurverdiende dollars te betalen aan de smokkelaars.
Op het dashboard prijkten de foto's van de twee jongens die ondanks Najibs hevige protesten vertrokken waren. Hij mopperde: "Het hart van een vader en een moeder bloedt vanwege hun kinderen. Maar de kinderen hebben een hart van steen." Toen de zoveelste financiele transactie in een chaotisch telefoongesprek afgehandeld was, zei hij: "Wacht maar tot ze zelf ouders zijn."

vrijdag 9 april 2010

Coffeeshop Kandahar


Nee, geen drugs in de Kandahar Coffee Shop al liggen de opiumvelden op een steenworp afstand en zien veel politieagenten stoned van de hasj. Er was zelfs geen koffie. Wel versgeperste appelsap.
De Coffee Shop is the place to be voor hippe Kandahari's. Het heeft een flatscreen, een snookerruimte en een hoek die als internetcafe fungeert. Aan de wand prijken glanzende posters van opgepompte Rambo's en lokale voetbalhelden.
Ik raakte aan de praat met twee beeldschone jongens die als tolk voor de Canadese troepen werken. Dat hielden ze geheim voor hun omgeving, want Afghanen die in dienst zijn van buitenlandse militairen moeten vrezen voor hun leven vanwege aanslagen door de Taliban. Ze vertelden over dat risico met een bravoure die past bij twintigers die met elkaar op stap zijn. De een was ook al twee keer gewond geraakt tijdens een patrouille. Hun contract vermeldde expliciet dat ze geen levensverzekering hadden en dat ze geen aanspraak op compensatie konden maken als hen iets overkwam. Hun salaris bedroeg 1600 dollar per maand en daarom vonden ze het alles bij elkaar toch wel een redelijke deal.
Verder waren ze vooral boos over de wetteloosheid, de corruptie en het criminele optreden van de politie in hun stad. Na het vertrek van de Taliban in 2001 hebben de stammen van de Popolzai en de Barakzai hun macht steeds verder uitgebreid. Dat hun leiders onder wie de broer van president Karzai zeer lucratieve zaken doen is te zien aan de enorme huizen achter bewakers en grindzakken die ze bewonen. De klachten van deze jongeren zijn veelgehoorde in Kandahar, maar ze blijven meestal binnenskamers uit angst voor repercussies.
Ik had graag langer met ze willen praten. Bovendien begon het straatleven in het zachte schemerlicht op zijn mooist te raken. Maar mijn tolk was zo onverbiddelijk als een Afghaan maar zijn kan. Hij wilde me voor het donker veilig in mijn hotel hebben. Gehoorzaam kroop ik weer onder mijn sjaal en abaya en liet me als een grote zwarte vogel terugrijden naar de rozentuin.

zondag 4 april 2010

Een avond in Kandahar


De rozen bloeiden vol overgave, het draadloos internet werkte prima en de kip was mals en smakelijk. Onder de tafel kloven ook twee katten gezellig mee. Je zou je elders kunnen wanen dan in hartje Kandahar. Tenminste zolang je je blik gericht hield op de tuin, want even verderop herinnerde de ingestorte achterkant van het hotel aan een bomaanslag van zo'n drie maanden geleden.
Ik zat te eten met een Afghaanse collega. Hij had flink carriere gemaakt sinds we elkaar drie jaar geleden voor het laatst zagen. Zijn reportages over burgerslachtoffers in het zuiden van Afghanistan hadden zelfs bijgedragen aan de Pulitzer prijs voor zijn krant. Hij vertelde het met enige trots, maar het was ook duidelijk dat het werk hem zwaar viel. Verslag doen van een oorlog in je eigen land is heel wat belastender dan erover berichten wanneer je zoals ik maar een bezoeker bent. Zo bracht hij onlangs nog uren tussen de gewonden in het ziekenhuis door om zijn verhaal met takt en geduld bij elkaar te sprokkelen.
Uit telefoonjes met inwoners van Marjah, waar hij recentelijk verslag deed van de militaire operatie die door de coalitietroepen tot een succes was uitgeroepen (maar waarvan het belang en de omvang volgens kenners nogal waren opgeblazen), maakte hij op dat de Taliban iedereen terroriseerde die contact met de nieuw geinstalleerde autoriteiten of buitenlanders had. En nu zaten er voor het platteland rond Kandahar nieuwe militaire manoeuvres aan te komen waar hij bij voorbaat ernstige twijfels over had.
Ondertussen kwam op zijn mobiele telefoon het ene na het andere sms-berichtje van Taliban woordvoerders binnen. Een aanslag hier, een bermbom daar. Hij onving per dag wel vijftien van dit soort onheilstijdingen. Zuchtend stopte hij de mobiele telefoon weer in zijn broekzak en zei: “Vaak kloppen die berichten.”

dinsdag 30 maart 2010

maandag 29 maart 2010

Huize Najib

We dachten hier in huis al dat er iets gaande moest zijn met die herrie van helikopters in de lucht. Dat was dus Obama. De meeste Afghanen die ik sprak was het bliksembezoek van het Amerikaanse staatshoofd ontgaan of het kon ze weinig schelen. Mijn chauffeur Najib meende zelfs dat Obama pas de volgende dag zou arriveren. Maar dat kwam waarschijnlijk omdat zijn gedachten elders waren. Het zijn trieste dagen in huize Najib. Zijn zoon is begonnen aan de odyssee om Europa te bereiken. Dagenlang zijn aan die onderneming de meest onwaarschijnlijke verhalen vooraf gegaan. Een Westerse ambassade zou tegen een woekerbedrag een visum kunnen regelen, een Canadese militair zou met een legervliegtuig Afghaanse passagiers rechtstreeks in het beloofde land afleveren. Najib had er alles aan gedaan om zijn zoon van het plan af te houden. Hij had er zelfs een bezoek aan een religieuze genezer aan gewijd om zijn zoon telepathisch bij te laten sturen. Maar de geest van zijn telg hield voet bij stuk en besloot via Tadjikistan een kans te wagen. Terwijl we door het chaotische verkeer van Kabul laveerden kwam zijn telefoontje dat hij in het noorden van Afghanistan zat te wachten op de smokkelaar die de grensoversteek zou regelen. “Een zoon is een deel van het lichaam van de vader,” zei Najib terwijl hij zijn hand op zijn hart legde. Een volgend telefoontje meldde dat zijn vrouw thuis zat te huilen. Toen ik opperde dat hij naar haar toe zou gaan, schudde hij verbeten met zijn hoofd. “Verdrietig blijf ik toch want over een paar weken vertrekt mijn volgende zoon en daarna wil de derde weg.” Om de ongewisse omzwervingen van zijn kinderen te volgen had hij alvast een wereldkaart gekocht. De radio speelde muziek uit Najibs geboortestreek Paktia. Het was een weeklagende melodie over een aanstaande bruid die tranen vergoot omdat het afscheid van haar ouderlijk huis naderde. "Afghanistan is Sadistan," concludeerde Najib mismoedig.

zaterdag 27 maart 2010

Nachtleven

Terwijl een jonge vrouw met witblond haar en een zwarte spijkerbroek die op scheuren stond paaldanste zonder paal, kuste een Amerikaanse vrachtwagenchauffeur mijn hand ter kennismaking. De nacht was nog jong in Afghanistans enige nachtclub Martini. Zijn collega, een gedrongen Texaan met een baardje en een baseballpet riep boven de discodreun uit: “lrak en Afghanistan zijn mijn tweede thuis. Ik houd van gevaar.” Hij keek erbij alsof hij zojuist de lotto gewonnen had.
Vanwege de veiligheidsmaatregelen word je geacht je per email bij deze nieuwste hotspot aan te melden. In mijn geval was dat ergens misgegaan, maar toch mocht ik naar binnen. Vrouwelijke klanten zijn zeer welkom in de door mannen gedomineerde uitgaansscene. The odds are good, but the goods are odd, omschreef een vrouwelijke expat de situatie. Na zo’n drie kwartier sloeg ik dan ook op de vlucht.
Buiten werd mijn huisgenoot bijna omver gereden door een bedelaar zonder benen die met zijn zelfgemaakte karretje langs de bewakers bij de ingang in razende vaart op ons afkoerste.
Vanwege mijn reportage over de chaos, de wetteloosheid en het grote geld in Kabul was ik in de Martini club beland. Ik vond het maar een moeilijk te verteren onderwerp.

woensdag 24 maart 2010

Kabul graffiti


Graffiti op de muur van het Emergency Hospital in Kabul. En eenzelfde boodschap bij een poppy palace (huur minimaal 15000$ per maand met sauna, jacuzzi en een bunker in de kelder) in de wijk Sherpur.

donderdag 18 maart 2010

Kabul Jalalabad Road

Jingletrucks heten de vrachtwagens die het verkeer op de slingerweg van Kabul naar Jalalabad domineren. De rij belletjes aan het chassis rinkelden vrolijk terwijl de trucks door het berglandschap manoeuvreerden. Ook voor mijn oog waren de bont beschilderde vrachtwagens een lust. Zo zag ik galopperende paarden, knusse huizen tussen frisgroene heuvels met watervallen, knalroze harten, moskeeen, en een zangeres met een weelderige haardos en een dweepzieke blik. Een Pakistaanse vrachtwagenchauffeur vertelde aan mijn collega Adnan over die versierdrift: “Als een man trouwt is zijn bruid zo mooi mogelijk gemaakt. Voor een vrachtwagenchauffeur is een truck zijn bruid.”
Idyllische vehikels dus, maar wel dodelijk als ze op pad gaan. Ook veel van de andere weggebruikers hielden er kamikaze rijgedrag op na. Ik ken geen Afghaan die niet een familielid of andere dierbare is kwijtgeraakt in een verkeersongeluk. Daar dacht ik maar niet te veel aan tijdens de drie uur durende rit naar Jalalabad. Er was bovendien genoeg te zien. Spectaculair ruige rotsbergen en een rivier die in de diepte van modder- naar smaragdkleur wisselde. Kuchi's die met hun kuddes ruwharige schapen vanuit de heter wordende vlaktes naar hoger gelegen groen trokken. De alom verguisde verkeerspolitie die weggebruikers geld afhandig maakte. Afghaanse militairen die naast een lekkende tankwagen een sigaretje wilden opsteken. (ware het niet dat mijn chauffeur dat met een schreeuw door het raam voorkwam). Dat zag ik allemaal zolang ik mijn ogen de kost kon geven. Want zodra controleposten of andere auto’s naderden trok ik de grote witte hoofddoek met borduursels zo ver mogelijk over mijn gezicht.
Toen de vallei zich vernauwde en de bergen aan weerszijden van de weg steiler en hoger werden, minderde mijn chauffeur even vaart om te kunnen bidden dat de Taliban die vanaf de hoogte af en toe tankwagens of militaire konvooien onder vuur nemen, zich vandaag gedeisd zouden houden. Dat deden ze. Ook roversnest Sarobi dat ongeveer halverwege de route ligt, reden we zonder problemen voorbij.
De terugweg liep eveneens gesmeerd. Totdat we bij de toegangsweg naar Kabul op een van Afghanistans schaarse agentes stuitten. Het leek me behoorlijk afmattend om in de stoffige hitte de verkeersstroom te inspecteren, maar dat deed niets af aan haar oplettendheid. Haar vrouwelijke oog moest iets on-Afghaans aan mijn vormeloze verschijning op de achterbank hebben opgemerkt, want vanachter haar zwarte sluier vroeg ze op onverbiddelijke toon om mijn paspoort. Voordat ik kon vragen wat haar aandacht had getrokken, werden we jammer genoeg al weer voortgestuwd door de rest van het ongeduldig toeterende verkeer.

vrijdag 12 maart 2010

The special forces from the God

Het voorjaar is gearriveerd. Een van de drie amandelbomen in de tuin bloeit met tere rose bloesems. De tarweakkers buiten de stad dragen al een waas van groen. Nog even en het platteland zal op zijn mooist zijn.
Mijn chauffeur Najib en ik waren onderweg naar de vlooienmarkt naast de Amerikaanse legerbasis Bagram, zo’n veertig kilometer ten noorden van Kabul. Daar raakte ik aan de praat met een jonge handelaar. Hij had nog nooit een Amerikaanse militair gesproken, al verbleven die slechts enkele tientallen meters verderop, maar van Amerikaanse produkten wist hij daarentegen des te meer. Die waren namelijk zijn handelswaar. Vanuit het legerbolwerk wordt van alles gestolen of doorverkocht en ook de hearts and minds presentjes die Amerikaanse troepen in dorpen uitdelen vinden vaak hun weg naar het Afghaanse Waterlooplein.
Zo had hij bruine pakken MREs (Meals Ready to Eat), blikjes Muscle Milk, tasjes met Operation Enduring Freedom Afghanistan, slaapzakken en poloshirts in de aanbieding. Het gerucht gaat dat er zelfs minder onschuldige waren zoals wapens en nachtkijkers verkrijgbaar zijn, maar wij konden die niet vinden.
Najib kocht een doosje Amerikaanse pleisters tegen blaren. Ik tikte voor drie dollar een lichtgewicht koffiebeker op de kop met een soldaat onder hemelsblauwe vleugels en de tekst www.soldiersangels.org. Toen ik het adres later intypte op internet bleek het de website van een steungroep voor militairen te zijn. Ze organiseren akties zoals Hike for our Heroes of Give Easter to a Military Family.
Angels, het kostte moeite dat woord aan Najib uit te leggen. Hij fronste een tijdje hevig, maar toen ik met mijn armen vlieggebaren maakte, verhelderde zijn gezicht. “Ah, the special forces from the God.”
Ik besloot te trakteren op een Gatorade Nutrition Shake met aardbeiensmaak, made in California. Het duurde even voor ik twee blikjes gevonden had waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet verstreken was. Toch werden we er op de terugweg naar Kabul allebei behoorlijk misselijk van.

P.S. Een Afghaanse kennis werd bij een bezoek aan de Amerikaanse basis gewaarschuwd door een lokale klusjesman dat hij niet te dicht in de buurt van de zwarte militairen moest komen. Ze gaven af - dat wist hij zeker.

woensdag 10 maart 2010

Aan het ziekenhuisbed van de generaal

Snelle en massale uitbreiding van de politiemacht is een van de prioriteiten om van Afghanistan een veiliger land te maken. Nu kan ieder zinnig mens bedenken dat zo’n plan heel wat haken en ogen heeft. Vandaar mijn interesse in het onderwerp.
Drie jaar geleden was ik op bezoek bij een commandant van de politie die vanuit een ingestort bureau waar het vocht langs uitgebrande muren lekte, de scepter zwaaide over een van de grootste districten van Kabul. Toen ik eergisteren bij zijn nieuwe kantoor arriveerde, leek het wel een militaire basis met de hoge muren, zandzakken en manschappen met geweren in de aanslag. De commandant die inmiddels tot de rang van generaal bevorderd was bleek afwezig - hij was bij een recente aanslag gewond geraakt. Zo werd ik een dag later met een politiewagen naar het militaire ziekenhuis gebracht. Het ging in een tempo alsof we op dievenjacht waren.
Aan Afghaanse burgerziekenhuizen mankeert nogal wat, maar het militaire hospitaal stond er keurig bij.
De generaal lag te puffen in een megabed op de vip afdeling waar de zon ruimhartig naar binnen scheen. Een piepjonge lijfwacht spoot overvloedig parfum op de deken om de eventuele transpiratielucht te bezweren.
In zijn omzwachtelde arm had de generaal drie kogelwonden. De terroristen hadden het blijkbaar op zijn hart voorzien en het was een wonder dat hij de aanslag overleefd had. Drie van zijn lijfwachten waren omgekomen, een vierde zat met verband op zijn bovenlijf op een van de grote sofa’s. Hij keek alsof hij de schrik nog lang niet te boven was.
Tragisch genoeg is het onmogelijk om een stad tegen aanslagen te beveiligen. Bagdad bijvoorbeeld is met zijn doolhof van betonnen muren een van de zwaarst bewaakte steden ter wereld en ook daar gaat het nog heel vaak mis. Niet alleen omdat terroristen die bereid hun leven op te offeren vroeg of laat toch doel weten te treffen, maar ook omdat veiligheidstroepen in het complot zitten of worden omgekocht om een oogje dicht te knijpen.
Met zijn gezonde arm nam de generaal de doos chocolaatjes in ontvangst die ik had meegebracht. Hij bestudeerde de verpakking met foto’s van tulpen, molens en de grachten van Amsterdam. Vervolgens knikte hij waarderend. Als hij hersteld was leek Nederland hem een goed land voor een vakantie.

maandag 8 maart 2010

De charme zit verscholen

"We krijgen geen beeld van hoe het land eruit ziet," klaagden vrienden voordat ik naar Kabul vertrok. Ze volgen de media op de voet, maar verder dan bomaanslagen, gevechten, kamp Holland, baarden en boerka’s kwam hun blik maar niet.
Op het eerste gezicht is Kabul zeker geen mooie stad. Modderkleurige blokkendozen van huizen, grauwe flats en starre Sovjetstijl kantoren omlijnen de straten. En nu de bomen nog winters kaal zijn, is de aanblik extra kleurloos.
Najib met wie ik in Kabul regelmatig rondrijd, heeft weinig vleiende namen voor zijn land: Afghanistan is Muddistan moppert hij als we door de plassen hobbelen. Of: Afghanistan is Dustistan als de prille voorjaarswarmte het stof alweer naar binnen doet dwarrelen. Als bedelende vrouwen in boerka’s met smekend gemurmel de auto omsingelen zucht hij: Afghanistan is Pooristan. Lang duurt zijn gemopper meestal trouwens niet en dan komt er na een blik op mijn gekrabbel in een notitieboek een grote grijns en constateert hij: Afghanistan is Storiesstan.
De charme van de stad zit verscholen achter muren. Gisteren zocht ik een echtpaar op dat ik ken van mijn vorige bezoek drie jaar geleden. Ze ontvingen me met een enthousiasme en hartelijkheid alsof ik een dierbaar familielid was op wie ze lang gewacht hadden. Nog maar nauwelijks was ik gaan zitten in de kamer met warmrode tapijten en kussens in allerlei kleuren of de gastheer kwam met grote schalen met amandelen, rozijnen en geurige sinaasappels. Het voelde alsof ik nooit was weggeweest.

PS De enige felicitatie die ik vanwege internationale vrouwendag ontving, kwam van een Afghaanse man. 'Hope things get better for women all over the world, especially in Afghanistan,' mailde hij.

vrijdag 5 maart 2010

Uitdagingen in Kabul

Aankomst op Kabul International Airport. Werkt de X-ray wel? De fles rode wijn en de obsceen grote salami voor mijn gastheer passeren ongehinderd het apparaat.
Op mijn eerste wandeling door de modderige straten dribbelt een jongetje van nauwelijks drie turven hoog hardnekkig mee. 'Hello, I am your bodyguard.' Voor me stoot een vrouw haar blauwe boerkahoofd tegen de steiger van een huis in aanbouw. Op het kruispunt waar vorige week een hotel door aanslagen getroffen werd, controleren extra politie agenten af en toe het langsrijdende verkeer, maar voetgangers kunnen zonder verdere inspectie langs de gehavende gevels lopen.
Een paar dagen na de aanval stelde de Afghaanse regering een verbod op live verslag doen van dergelijke geweld voor. Niet alleen de media, politici en diplomaten protesteerden. Ook de Taliban wierp zich op als de verdediger van het vrije woord. ‘We the Islamic Emirate of Afghanistan strongly condemn this proclamation of the Kabul authorities and this is actually a violation of the international law of media, civil society and human rights. Banning the free media actually indicates that they are violating freedom of
speech,’ zei Zabibullah Mujahid, een woordvoerder van de Taliban in een telefonisch interview tegen de New York Times. ‘The Islamic Emirate values the efforts and work of all free and independent journalists and photographers and requests them to work more freely and independently in Afghanistan, and offers its encouragement to them, even though they are facing many challenges on the ground.’
Many challenges on the ground - de komende weken zal ik gaan ontdekken welke dat zoal zijn.