maandag 26 april 2010

Gevaar uit onverwachte hoek

Er klonk een knal en dikke glasscherven vlogen door mijn kamer. Het bleek geen aanslag, maar de aktie van een buurtboefje. Vanaf het platte dak had hij met zijn kattenpult een steen door de ruit geschoten. Op het bed waar ik even tevoren nog had zitten tikken lagen glazen dolken. Ook in Kabul komt het gevaar soms uit onverwachte hoek.
Een paar uur later mat een enigszins gegeneerde vader de maat van het raam op. Hij beloofde zijn zoon een reprimande te geven. Het was een alledaagse uitwisseling, zoals dat gaat tussen buren, maar daardoor besefte ik weer eens dat mijn vier huisgenoten en ik anders dan de meeste buitenlanders die achter zware muren met bewakers zitten, gelukkig nog deel uitmaken van de wijk. We doen boodschappen in de kleine supermarkt en het groentenwinkeltje, wisselen in simpel engels en dari met deze of gene nieuwtjes uit en bezoeken te voet de nabijgelegen restaurants. Kortom, we voelen ons er thuis.
Verder waren het enerverende dagen. De aswolk stuurde al onze reisplannen danig in de war. De ene helft van het huishouden moest het land uit, de andere helft wilde er juist weer in. Ambassades, vrachtvliegtuigen, ghurka’s, militairen, KLM-ers; alle contacten werden aangeboord. Het mocht allemaal niet baten. De enige die temidden van alle commotie onverstoorbaar doorschuifelde was onze huisvondeling, de schildpad. En een land als Afghanistan doet je natuurlijk heel goed beseffen dat er ergere dingen zijn dan je eigen prijsuitreiking missen. Ik begreep dat het feestje erg geslaagd was.

maandag 19 april 2010

Afghaanse bureaus

Informatie vanaf Afghanistans -vaak computerloze- bureaus is notoir onbetrouwbaar. Niet noodzakelijkerwijs omdat employees er op uit zijn om te liegen, maar gewoon omdat ze ze maar wat zeggen om van lastige kwesties af te zijn of omdat ze.de wirwar van voortdurend veranderende regels ook niet kennen. Administratieve handelingen zoals de verlenging van een visum kunnen daardoor in een ware exercitie in geduld ontaarden. Benodigde documenten verschuiven van het ene bureau naar het andere zonder dat duidelijk is waarom. Of ze verdwijnen ergens op een plank in ordners om er nooit meer uit te komen.
Laatst stond ik na dagen heen en weer gependel te wachten op een cruciale handtekening voor mijn visum, terwijl de degene die daarover ging een meter verderop vol overgave een Bollywoodfilm op een sneeuwend tv scherm bestudeerde. Maar in die verloren momenten is er altijd wel iets dat de moeite van het zien of horen waard is. Zo vertelde een medewerker in een keurig donkerblauw kostuum met das hoe het er voorstond met de veiligheid in zijn geboorteplaats, zo’n half uur buiten Kabul. Hij streek met zijn vinger langs zijn keel. “Daar vermoorden ze mensen zoals ik.”
Uitbreiding van het ambtenarenapparaat in de provincies was een van de Nederlandse aanbevelingen op een recente donorconferentie in Londen. Maar hoe motiveer je mensen om dat soort ongewisse banen te bekleden?
Soms ook geven die verplichte visites hoop, zoals dat aan het Ministerie van Sociale Zaken, Arbeid, Invaliden en Martelaren. Ik manoevreerde langs een paar gehandicapte mannen naar ambtenaren achter tafels vol paperassen, maar die hadden geen idee wat de procedure voor een werkvergunning was. Toen dook temidden van al die vaagheid en verwarring een pittige Engels sprekende hooggehakte jongedame op. Ze keek misprijzend toen ook haar jaren oudere baas de papieren van zich af schoof en ons naar een niet ter zake doend departement wilde doorverwijzen. Ze overtuigde hem om toch een handtekening te zetten en zei toen tegen haar mannelijke leeftijdsgenoot die in een hoek van de kamer achter en computer zat: “Laten wij dit maar verder afhandelen.” Inderdaad rolde het document even later uit de printer.

zaterdag 17 april 2010

As? Hoezo as?

Het luchtveerkeer in Europa mag dan vrijwel uitgeschakeld zijn, Safi Airways dat vanuit Kabul rechtstreeks naar Frankfurt vliegt, liet zich niet op de kop zitten door een spuwende vulkaan. Tot twee uur geleden bleven de employees bezweren dat hun vliegtuigen gewoon volgens schema in Frankfurt zouden arriveren. Op mijn vraag waar ze dan dachten te gaan landen nu de luchthaven gesloten was, luidde het antwoord: "In Frankfurt madam." Maar ze beloofden me te bellen als het overhoopt toch anders liep.

vrijdag 16 april 2010

Gisteren vandaag en morgen

Een verzuchting die ik veel hoorde tijdens mijn recente bezoek aan Kandahar: "Gisteren was beter dan vandaag en vandaag zal beter zijn dan morgen." Aan die woorden moest ik denken toen ik met de belaagde stad in het zuiden belde. Mijn ene Afghaanse collega vertelde hoe de bomexplosie hem tegen de grond gesmeten had. "Nu weet je waarom ik zo duur ben," riep hij nog even ter herinnering aan de ruzie die we over zijn honorarium hadden gehad. De andere zat tussen kapotgesprongen ruiten te werken aan een verhaal over de aanslagen.
Op zoek naar vrolijker nieuws reed ik met mijn chauffeur Najib naar de skateboard baan. Het zou een hit zijn onder de Afghaanse jeugd voor wie de sportmogelijkheden bepaald niet voor het oprapen liggen. Het was inderdaad een ongekend vrolijke bende in de hal. En meisjes raceten er met net zoveel vuur en lef van de houten hellinkjes af als de jongens.
Najib had ondertussen andere zaken aan zijn hoofd. Niet alleen zoon Een, ook Nummer Twee had inmiddels het land verlaten. Ze hadden elkaar getroffen in Turkije. Na een paar zenuwslopende dagen van stilte, belden de twee dat ze in Griekenland waren aangekomen. Het wachten was nu op de doorreis naar Italie. Aan vader Najib de taak om de duizenden zuurverdiende dollars te betalen aan de smokkelaars.
Op het dashboard prijkten de foto's van de twee jongens die ondanks Najibs hevige protesten vertrokken waren. Hij mopperde: "Het hart van een vader en een moeder bloedt vanwege hun kinderen. Maar de kinderen hebben een hart van steen." Toen de zoveelste financiele transactie in een chaotisch telefoongesprek afgehandeld was, zei hij: "Wacht maar tot ze zelf ouders zijn."

vrijdag 9 april 2010

Coffeeshop Kandahar


Nee, geen drugs in de Kandahar Coffee Shop al liggen de opiumvelden op een steenworp afstand en zien veel politieagenten stoned van de hasj. Er was zelfs geen koffie. Wel versgeperste appelsap.
De Coffee Shop is the place to be voor hippe Kandahari's. Het heeft een flatscreen, een snookerruimte en een hoek die als internetcafe fungeert. Aan de wand prijken glanzende posters van opgepompte Rambo's en lokale voetbalhelden.
Ik raakte aan de praat met twee beeldschone jongens die als tolk voor de Canadese troepen werken. Dat hielden ze geheim voor hun omgeving, want Afghanen die in dienst zijn van buitenlandse militairen moeten vrezen voor hun leven vanwege aanslagen door de Taliban. Ze vertelden over dat risico met een bravoure die past bij twintigers die met elkaar op stap zijn. De een was ook al twee keer gewond geraakt tijdens een patrouille. Hun contract vermeldde expliciet dat ze geen levensverzekering hadden en dat ze geen aanspraak op compensatie konden maken als hen iets overkwam. Hun salaris bedroeg 1600 dollar per maand en daarom vonden ze het alles bij elkaar toch wel een redelijke deal.
Verder waren ze vooral boos over de wetteloosheid, de corruptie en het criminele optreden van de politie in hun stad. Na het vertrek van de Taliban in 2001 hebben de stammen van de Popolzai en de Barakzai hun macht steeds verder uitgebreid. Dat hun leiders onder wie de broer van president Karzai zeer lucratieve zaken doen is te zien aan de enorme huizen achter bewakers en grindzakken die ze bewonen. De klachten van deze jongeren zijn veelgehoorde in Kandahar, maar ze blijven meestal binnenskamers uit angst voor repercussies.
Ik had graag langer met ze willen praten. Bovendien begon het straatleven in het zachte schemerlicht op zijn mooist te raken. Maar mijn tolk was zo onverbiddelijk als een Afghaan maar zijn kan. Hij wilde me voor het donker veilig in mijn hotel hebben. Gehoorzaam kroop ik weer onder mijn sjaal en abaya en liet me als een grote zwarte vogel terugrijden naar de rozentuin.

zondag 4 april 2010

Een avond in Kandahar


De rozen bloeiden vol overgave, het draadloos internet werkte prima en de kip was mals en smakelijk. Onder de tafel kloven ook twee katten gezellig mee. Je zou je elders kunnen wanen dan in hartje Kandahar. Tenminste zolang je je blik gericht hield op de tuin, want even verderop herinnerde de ingestorte achterkant van het hotel aan een bomaanslag van zo'n drie maanden geleden.
Ik zat te eten met een Afghaanse collega. Hij had flink carriere gemaakt sinds we elkaar drie jaar geleden voor het laatst zagen. Zijn reportages over burgerslachtoffers in het zuiden van Afghanistan hadden zelfs bijgedragen aan de Pulitzer prijs voor zijn krant. Hij vertelde het met enige trots, maar het was ook duidelijk dat het werk hem zwaar viel. Verslag doen van een oorlog in je eigen land is heel wat belastender dan erover berichten wanneer je zoals ik maar een bezoeker bent. Zo bracht hij onlangs nog uren tussen de gewonden in het ziekenhuis door om zijn verhaal met takt en geduld bij elkaar te sprokkelen.
Uit telefoonjes met inwoners van Marjah, waar hij recentelijk verslag deed van de militaire operatie die door de coalitietroepen tot een succes was uitgeroepen (maar waarvan het belang en de omvang volgens kenners nogal waren opgeblazen), maakte hij op dat de Taliban iedereen terroriseerde die contact met de nieuw geinstalleerde autoriteiten of buitenlanders had. En nu zaten er voor het platteland rond Kandahar nieuwe militaire manoeuvres aan te komen waar hij bij voorbaat ernstige twijfels over had.
Ondertussen kwam op zijn mobiele telefoon het ene na het andere sms-berichtje van Taliban woordvoerders binnen. Een aanslag hier, een bermbom daar. Hij onving per dag wel vijftien van dit soort onheilstijdingen. Zuchtend stopte hij de mobiele telefoon weer in zijn broekzak en zei: “Vaak kloppen die berichten.”