maandag 20 september 2010

De kunst van het vertellen

In dit tijdperk van verontrustend krappe mediabudgetten, een oververhitte informatiemachine die 24 uur per etmaal berichten uitspuugt en de terreur van infotainment zou je bijna vergeten hoe het moet: echte verhalen maken. Hier zijn er twee ter inspiratie van mijn dierbare collega Phillip Robertson.
http://philliprobertson.com/IRAQ/articles/victim/index.htm
http://dir.salon.com/story/news/feature/2004/05/01/arrested/

zondag 19 september 2010

Katten en cocktails in Bagdad

Het vertellen van de waarheid mag dan ons vak zijn, tegen het thuisfront liegen we er op los als het zo uitkomt. Degenen die min of meer gestationeerd waren in Bagdad bleken er het best in. Zoals mijn Amerikaanse vriend Phillip die in de beruchtste wijken van de hoofdstad zijn verhalen haalde. “Ik zit met een vriendin een cocktail te drinken aan het zwembad,” hoorde ik hem zeggen. Hij verhief zijn stem en drukte de telefoon tegen zijn borst om een over ronkende helikopter weg te censureren. “En er loopt net een kleine zwarte kat voorbij,” vervolgde hij zodra de rust in de lucht was weergekeerd. Hij legde me uit dat zijn moeder daarmee helemaal was gerustgesteld. Cocktails en katten zijn voor haar de ultieme indicaties van normaliteit. Toen hij in Afghanistan werkte was ze zo bezorgd dat ze in haar haast om de telefoon op te pakken tegen een kastje opliep en een rib brak. Dat wil hij haar niet nog een keer aandoen.
Een andere collega belde naar huis om te zeggen dat hij zich niet zo lekker voelde en daarom verstek liet gaan op het wekelijkse etentje. Hij kuchte overtuigend in de telefoon. Toen hij terug in Londen meldde dat hij beter was, werd hij onmiddellijk ontmaskerd. Zijn moeder had de gevechten rond de stad op televisie gezien en daarmee ook haar zoon die rondrende met zijn camera.
Overigens bestond dat thuisfront vooral uit moeders, want partners hadden degenen die langdurig in Irak verbleven meestal niet meer. We noemden het onder elkaar de ‘Baghdad Touchdown Call’. Nog maar nauwelijks hadden de wielen de landingsbaan van de Iraakse hoofdstad geraakt, of het telefoontje kwam dat de liefde over was.
Mijn moeder huldigde het motto: geen nieuws is goed nieuws. Een van de weinige keren dat ze belde, was ik net opgepakt door milities. “Alles is prima, maar ik ben even heel druk bezig. Ik bel je straks wel,” loog ik terwijl opgefokte types me in een auto duwden.
Thuis vroeg ik wat ze doet als ze zich zorgen maakt. Het bleek dat ze met de auto een stukje gaat rijden. Toen was het mijn beurt om ongerust te worden. Ze reed alleen op de zandweg, zei ze. Ik hoopte maar dat dat waar was.

dinsdag 7 september 2010

Birmese humor

Het was een Amsterdamse terrasavond, ontstolen aan de herfst. Vanwege de naderende verkiezingen in Birma vlogen de analyses en beschouwingen over de tafel “Wat houdt ons toch allemaal zo aan dat land gekluisterd?” vroeg een Britse journalist die al de bijbel over Birma op zijn naam had toen ik 18 jaar geleden voor het eerst met rebellen de jungle introk. Het was een goede vraag, maar ik wist het antwoord net zo min als hij. Daarom grapten we maar een beetje dat we hoogbejaard met rolstoel en al nog steeds niet uitgepraat zouden zijn over Birma.
Om redenen die er nu niet toe doen belandde ik jaren geleden op een politiebureau in Rangoon. Terwijl een agent moeizame pogingen deed op een verfrommeld kladblok mijn dossier aan te leggen, duwde een van de gevangenen in de cel zijn gezicht tegen de tralies en vroeg in statig Engels: “Can I help you madam?” Op mijn antwoord dat ik dat beter aan hem kon vragen begon hij smakelijk te lachen. Die gave tot humor in barre tijden, dat is bij nader inzien een van de dingen die mij aan Birma bindt.

vrijdag 3 september 2010

Een nieuwe pagina?

Huwelijksfoto van Khala in Bagdad 1957

“Through this remarkable chapter in the history of the United States and Iraq, we have met our responsibility. Now it is time to turn the page,” sprak president Obama een paar dagen geleden toen de gevechtstroepen zich terugtrokken uit Irak. Ik hoorde zijn speech en dacht aan Ward en haar moeder Khala die in Baltimore ongetwijfeld ook zaten te luisteren.
Net nadat het beeld van Saddam Hussein in april 2003 van zijn sokkel was getrokken kwam de hoogbejaarde Khala vanuit het buitenland terug naar haar geboortestad. Dat huzarenstukje was een familie-anekdote geworden en zelf vertelde ze die nog het liefst in de maanden dat ik bij haar logeerde om een boek te schrijven over het gezin en hun dagelijks leven in Bagdad.
Voor de oorlog hadden haar kinderen haar naar Abu Dhabi gestuurd. Ze vreesden dat Khala’s hart niet bestand zou zijn tegen de bommen. Maar zodra Khala daar op televisie had gezien hoe Amerikaanse troepen Bagdad binnentrokken, had ze met een gepakte koffer gezeten. Hoe ongewis de reis ook zou zijn, ze wilde naar huis. Als ze echt op dreef raakte deed ze nog weleens na hoe ze terugkwam in het holst van de nacht over de gevaarlijke weg van Amman naar Bagdad. Een rug als een bezemsteel, haar geld en juwelen in een buideltje op haar buik verborgen. In haar tas zat een kaartje met een tekst uit de Koran dat haar moest beschermen. De chauffeur had met haar te doen. “Ga toch slapen tante, ik let wel op,” zei hij. Maar Khala bleef alert. Ze had al twee nachten niet geslapen, die paar extra uur kon er ook nog wel bij.
Nu woont ze met haar dochter Ward als vluchteling in Baltimore, verjaagd door het gewelddadige en intelorante klimaat in het nieuwe Irak. Ook zij probeert die pagina waaraan Obama refereerde om te slaan. Dat maakte ik van dichtbij mee toen ik haar en Ward een jaar geleden bezocht in hun nieuwe bestaan in Amerika. Maar het lukt niet. Ze denkt nog elke dag aan Bagdad.