Er klonk een knal en dikke glasscherven vlogen door mijn kamer. Het bleek geen aanslag, maar de aktie van een buurtboefje. Vanaf het platte dak had hij met zijn kattenpult een steen door de ruit geschoten. Op het bed waar ik even tevoren nog had zitten tikken lagen glazen dolken. Ook in Kabul komt het gevaar soms uit onverwachte hoek.
Een paar uur later mat een enigszins gegeneerde vader de maat van het raam op. Hij beloofde zijn zoon een reprimande te geven. Het was een alledaagse uitwisseling, zoals dat gaat tussen buren, maar daardoor besefte ik weer eens dat mijn vier huisgenoten en ik anders dan de meeste buitenlanders die achter zware muren met bewakers zitten, gelukkig nog deel uitmaken van de wijk. We doen boodschappen in de kleine supermarkt en het groentenwinkeltje, wisselen in simpel engels en dari met deze of gene nieuwtjes uit en bezoeken te voet de nabijgelegen restaurants. Kortom, we voelen ons er thuis.
Verder waren het enerverende dagen. De aswolk stuurde al onze reisplannen danig in de war. De ene helft van het huishouden moest het land uit, de andere helft wilde er juist weer in. Ambassades, vrachtvliegtuigen, ghurka’s, militairen, KLM-ers; alle contacten werden aangeboord. Het mocht allemaal niet baten. De enige die temidden van alle commotie onverstoorbaar doorschuifelde was onze huisvondeling, de schildpad. En een land als Afghanistan doet je natuurlijk heel goed beseffen dat er ergere dingen zijn dan je eigen prijsuitreiking missen. Ik begreep dat het feestje erg geslaagd was.
maandag 26 april 2010
maandag 19 april 2010
Afghaanse bureaus
Informatie vanaf Afghanistans -vaak computerloze- bureaus is notoir onbetrouwbaar. Niet noodzakelijkerwijs omdat employees er op uit zijn om te liegen, maar gewoon omdat ze ze maar wat zeggen om van lastige kwesties af te zijn of omdat ze.de wirwar van voortdurend veranderende regels ook niet kennen. Administratieve handelingen zoals de verlenging van een visum kunnen daardoor in een ware exercitie in geduld ontaarden. Benodigde documenten verschuiven van het ene bureau naar het andere zonder dat duidelijk is waarom. Of ze verdwijnen ergens op een plank in ordners om er nooit meer uit te komen.
Laatst stond ik na dagen heen en weer gependel te wachten op een cruciale handtekening voor mijn visum, terwijl de degene die daarover ging een meter verderop vol overgave een Bollywoodfilm op een sneeuwend tv scherm bestudeerde. Maar in die verloren momenten is er altijd wel iets dat de moeite van het zien of horen waard is. Zo vertelde een medewerker in een keurig donkerblauw kostuum met das hoe het er voorstond met de veiligheid in zijn geboorteplaats, zo’n half uur buiten Kabul. Hij streek met zijn vinger langs zijn keel. “Daar vermoorden ze mensen zoals ik.”
Uitbreiding van het ambtenarenapparaat in de provincies was een van de Nederlandse aanbevelingen op een recente donorconferentie in Londen. Maar hoe motiveer je mensen om dat soort ongewisse banen te bekleden?
Soms ook geven die verplichte visites hoop, zoals dat aan het Ministerie van Sociale Zaken, Arbeid, Invaliden en Martelaren. Ik manoevreerde langs een paar gehandicapte mannen naar ambtenaren achter tafels vol paperassen, maar die hadden geen idee wat de procedure voor een werkvergunning was. Toen dook temidden van al die vaagheid en verwarring een pittige Engels sprekende hooggehakte jongedame op. Ze keek misprijzend toen ook haar jaren oudere baas de papieren van zich af schoof en ons naar een niet ter zake doend departement wilde doorverwijzen. Ze overtuigde hem om toch een handtekening te zetten en zei toen tegen haar mannelijke leeftijdsgenoot die in een hoek van de kamer achter en computer zat: “Laten wij dit maar verder afhandelen.” Inderdaad rolde het document even later uit de printer.
Laatst stond ik na dagen heen en weer gependel te wachten op een cruciale handtekening voor mijn visum, terwijl de degene die daarover ging een meter verderop vol overgave een Bollywoodfilm op een sneeuwend tv scherm bestudeerde. Maar in die verloren momenten is er altijd wel iets dat de moeite van het zien of horen waard is. Zo vertelde een medewerker in een keurig donkerblauw kostuum met das hoe het er voorstond met de veiligheid in zijn geboorteplaats, zo’n half uur buiten Kabul. Hij streek met zijn vinger langs zijn keel. “Daar vermoorden ze mensen zoals ik.”
Uitbreiding van het ambtenarenapparaat in de provincies was een van de Nederlandse aanbevelingen op een recente donorconferentie in Londen. Maar hoe motiveer je mensen om dat soort ongewisse banen te bekleden?
Soms ook geven die verplichte visites hoop, zoals dat aan het Ministerie van Sociale Zaken, Arbeid, Invaliden en Martelaren. Ik manoevreerde langs een paar gehandicapte mannen naar ambtenaren achter tafels vol paperassen, maar die hadden geen idee wat de procedure voor een werkvergunning was. Toen dook temidden van al die vaagheid en verwarring een pittige Engels sprekende hooggehakte jongedame op. Ze keek misprijzend toen ook haar jaren oudere baas de papieren van zich af schoof en ons naar een niet ter zake doend departement wilde doorverwijzen. Ze overtuigde hem om toch een handtekening te zetten en zei toen tegen haar mannelijke leeftijdsgenoot die in een hoek van de kamer achter en computer zat: “Laten wij dit maar verder afhandelen.” Inderdaad rolde het document even later uit de printer.
zaterdag 17 april 2010
As? Hoezo as?
Het luchtveerkeer in Europa mag dan vrijwel uitgeschakeld zijn, Safi Airways dat vanuit Kabul rechtstreeks naar Frankfurt vliegt, liet zich niet op de kop zitten door een spuwende vulkaan. Tot twee uur geleden bleven de employees bezweren dat hun vliegtuigen gewoon volgens schema in Frankfurt zouden arriveren. Op mijn vraag waar ze dan dachten te gaan landen nu de luchthaven gesloten was, luidde het antwoord: "In Frankfurt madam." Maar ze beloofden me te bellen als het overhoopt toch anders liep.
vrijdag 16 april 2010
Gisteren vandaag en morgen
Een verzuchting die ik veel hoorde tijdens mijn recente bezoek aan Kandahar: "Gisteren was beter dan vandaag en vandaag zal beter zijn dan morgen." Aan die woorden moest ik denken toen ik met de belaagde stad in het zuiden belde. Mijn ene Afghaanse collega vertelde hoe de bomexplosie hem tegen de grond gesmeten had. "Nu weet je waarom ik zo duur ben," riep hij nog even ter herinnering aan de ruzie die we over zijn honorarium hadden gehad. De andere zat tussen kapotgesprongen ruiten te werken aan een verhaal over de aanslagen.
Op zoek naar vrolijker nieuws reed ik met mijn chauffeur Najib naar de skateboard baan. Het zou een hit zijn onder de Afghaanse jeugd voor wie de sportmogelijkheden bepaald niet voor het oprapen liggen. Het was inderdaad een ongekend vrolijke bende in de hal. En meisjes raceten er met net zoveel vuur en lef van de houten hellinkjes af als de jongens.
Najib had ondertussen andere zaken aan zijn hoofd. Niet alleen zoon Een, ook Nummer Twee had inmiddels het land verlaten. Ze hadden elkaar getroffen in Turkije. Na een paar zenuwslopende dagen van stilte, belden de twee dat ze in Griekenland waren aangekomen. Het wachten was nu op de doorreis naar Italie. Aan vader Najib de taak om de duizenden zuurverdiende dollars te betalen aan de smokkelaars.
Op het dashboard prijkten de foto's van de twee jongens die ondanks Najibs hevige protesten vertrokken waren. Hij mopperde: "Het hart van een vader en een moeder bloedt vanwege hun kinderen. Maar de kinderen hebben een hart van steen." Toen de zoveelste financiele transactie in een chaotisch telefoongesprek afgehandeld was, zei hij: "Wacht maar tot ze zelf ouders zijn."
Op zoek naar vrolijker nieuws reed ik met mijn chauffeur Najib naar de skateboard baan. Het zou een hit zijn onder de Afghaanse jeugd voor wie de sportmogelijkheden bepaald niet voor het oprapen liggen. Het was inderdaad een ongekend vrolijke bende in de hal. En meisjes raceten er met net zoveel vuur en lef van de houten hellinkjes af als de jongens.
Najib had ondertussen andere zaken aan zijn hoofd. Niet alleen zoon Een, ook Nummer Twee had inmiddels het land verlaten. Ze hadden elkaar getroffen in Turkije. Na een paar zenuwslopende dagen van stilte, belden de twee dat ze in Griekenland waren aangekomen. Het wachten was nu op de doorreis naar Italie. Aan vader Najib de taak om de duizenden zuurverdiende dollars te betalen aan de smokkelaars.
Op het dashboard prijkten de foto's van de twee jongens die ondanks Najibs hevige protesten vertrokken waren. Hij mopperde: "Het hart van een vader en een moeder bloedt vanwege hun kinderen. Maar de kinderen hebben een hart van steen." Toen de zoveelste financiele transactie in een chaotisch telefoongesprek afgehandeld was, zei hij: "Wacht maar tot ze zelf ouders zijn."
zondag 4 april 2010
Een avond in Kandahar
De rozen bloeiden vol overgave, het draadloos internet werkte prima en de kip was mals en smakelijk. Onder de tafel kloven ook twee katten gezellig mee. Je zou je elders kunnen wanen dan in hartje Kandahar. Tenminste zolang je je blik gericht hield op de tuin, want even verderop herinnerde de ingestorte achterkant van het hotel aan een bomaanslag van zo'n drie maanden geleden.
Ik zat te eten met een Afghaanse collega. Hij had flink carriere gemaakt sinds we elkaar drie jaar geleden voor het laatst zagen. Zijn reportages over burgerslachtoffers in het zuiden van Afghanistan hadden zelfs bijgedragen aan de Pulitzer prijs voor zijn krant. Hij vertelde het met enige trots, maar het was ook duidelijk dat het werk hem zwaar viel. Verslag doen van een oorlog in je eigen land is heel wat belastender dan erover berichten wanneer je zoals ik maar een bezoeker bent. Zo bracht hij onlangs nog uren tussen de gewonden in het ziekenhuis door om zijn verhaal met takt en geduld bij elkaar te sprokkelen.
Uit telefoonjes met inwoners van Marjah, waar hij recentelijk verslag deed van de militaire operatie die door de coalitietroepen tot een succes was uitgeroepen (maar waarvan het belang en de omvang volgens kenners nogal waren opgeblazen), maakte hij op dat de Taliban iedereen terroriseerde die contact met de nieuw geinstalleerde autoriteiten of buitenlanders had. En nu zaten er voor het platteland rond Kandahar nieuwe militaire manoeuvres aan te komen waar hij bij voorbaat ernstige twijfels over had.
Ondertussen kwam op zijn mobiele telefoon het ene na het andere sms-berichtje van Taliban woordvoerders binnen. Een aanslag hier, een bermbom daar. Hij onving per dag wel vijftien van dit soort onheilstijdingen. Zuchtend stopte hij de mobiele telefoon weer in zijn broekzak en zei: “Vaak kloppen die berichten.”
dinsdag 30 maart 2010
maandag 29 maart 2010
Huize Najib
We dachten hier in huis al dat er iets gaande moest zijn met die herrie van helikopters in de lucht. Dat was dus Obama. De meeste Afghanen die ik sprak was het bliksembezoek van het Amerikaanse staatshoofd ontgaan of het kon ze weinig schelen. Mijn chauffeur Najib meende zelfs dat Obama pas de volgende dag zou arriveren. Maar dat kwam waarschijnlijk omdat zijn gedachten elders waren. Het zijn trieste dagen in huize Najib. Zijn zoon is begonnen aan de odyssee om Europa te bereiken. Dagenlang zijn aan die onderneming de meest onwaarschijnlijke verhalen vooraf gegaan. Een Westerse ambassade zou tegen een woekerbedrag een visum kunnen regelen, een Canadese militair zou met een legervliegtuig Afghaanse passagiers rechtstreeks in het beloofde land afleveren. Najib had er alles aan gedaan om zijn zoon van het plan af te houden. Hij had er zelfs een bezoek aan een religieuze genezer aan gewijd om zijn zoon telepathisch bij te laten sturen. Maar de geest van zijn telg hield voet bij stuk en besloot via Tadjikistan een kans te wagen. Terwijl we door het chaotische verkeer van Kabul laveerden kwam zijn telefoontje dat hij in het noorden van Afghanistan zat te wachten op de smokkelaar die de grensoversteek zou regelen. “Een zoon is een deel van het lichaam van de vader,” zei Najib terwijl hij zijn hand op zijn hart legde. Een volgend telefoontje meldde dat zijn vrouw thuis zat te huilen. Toen ik opperde dat hij naar haar toe zou gaan, schudde hij verbeten met zijn hoofd. “Verdrietig blijf ik toch want over een paar weken vertrekt mijn volgende zoon en daarna wil de derde weg.” Om de ongewisse omzwervingen van zijn kinderen te volgen had hij alvast een wereldkaart gekocht. De radio speelde muziek uit Najibs geboortestreek Paktia. Het was een weeklagende melodie over een aanstaande bruid die tranen vergoot omdat het afscheid van haar ouderlijk huis naderde. "Afghanistan is Sadistan," concludeerde Najib mismoedig.
woensdag 24 maart 2010
Kabul graffiti
donderdag 18 maart 2010
Kabul Jalalabad Road
Jingletrucks heten de vrachtwagens die het verkeer op de slingerweg van Kabul naar Jalalabad domineren. De rij belletjes aan het chassis rinkelden vrolijk terwijl de trucks door het berglandschap manoeuvreerden. Ook voor mijn oog waren de bont beschilderde vrachtwagens een lust. Zo zag ik galopperende paarden, knusse huizen tussen frisgroene heuvels met watervallen, knalroze harten, moskeeen, en een zangeres met een weelderige haardos en een dweepzieke blik. Een Pakistaanse vrachtwagenchauffeur vertelde aan mijn collega Adnan over die versierdrift: “Als een man trouwt is zijn bruid zo mooi mogelijk gemaakt. Voor een vrachtwagenchauffeur is een truck zijn bruid.”
Idyllische vehikels dus, maar wel dodelijk als ze op pad gaan. Ook veel van de andere weggebruikers hielden er kamikaze rijgedrag op na. Ik ken geen Afghaan die niet een familielid of andere dierbare is kwijtgeraakt in een verkeersongeluk. Daar dacht ik maar niet te veel aan tijdens de drie uur durende rit naar Jalalabad. Er was bovendien genoeg te zien. Spectaculair ruige rotsbergen en een rivier die in de diepte van modder- naar smaragdkleur wisselde. Kuchi's die met hun kuddes ruwharige schapen vanuit de heter wordende vlaktes naar hoger gelegen groen trokken. De alom verguisde verkeerspolitie die weggebruikers geld afhandig maakte. Afghaanse militairen die naast een lekkende tankwagen een sigaretje wilden opsteken. (ware het niet dat mijn chauffeur dat met een schreeuw door het raam voorkwam). Dat zag ik allemaal zolang ik mijn ogen de kost kon geven. Want zodra controleposten of andere auto’s naderden trok ik de grote witte hoofddoek met borduursels zo ver mogelijk over mijn gezicht.
Toen de vallei zich vernauwde en de bergen aan weerszijden van de weg steiler en hoger werden, minderde mijn chauffeur even vaart om te kunnen bidden dat de Taliban die vanaf de hoogte af en toe tankwagens of militaire konvooien onder vuur nemen, zich vandaag gedeisd zouden houden. Dat deden ze. Ook roversnest Sarobi dat ongeveer halverwege de route ligt, reden we zonder problemen voorbij.
De terugweg liep eveneens gesmeerd. Totdat we bij de toegangsweg naar Kabul op een van Afghanistans schaarse agentes stuitten. Het leek me behoorlijk afmattend om in de stoffige hitte de verkeersstroom te inspecteren, maar dat deed niets af aan haar oplettendheid. Haar vrouwelijke oog moest iets on-Afghaans aan mijn vormeloze verschijning op de achterbank hebben opgemerkt, want vanachter haar zwarte sluier vroeg ze op onverbiddelijke toon om mijn paspoort. Voordat ik kon vragen wat haar aandacht had getrokken, werden we jammer genoeg al weer voortgestuwd door de rest van het ongeduldig toeterende verkeer.
Idyllische vehikels dus, maar wel dodelijk als ze op pad gaan. Ook veel van de andere weggebruikers hielden er kamikaze rijgedrag op na. Ik ken geen Afghaan die niet een familielid of andere dierbare is kwijtgeraakt in een verkeersongeluk. Daar dacht ik maar niet te veel aan tijdens de drie uur durende rit naar Jalalabad. Er was bovendien genoeg te zien. Spectaculair ruige rotsbergen en een rivier die in de diepte van modder- naar smaragdkleur wisselde. Kuchi's die met hun kuddes ruwharige schapen vanuit de heter wordende vlaktes naar hoger gelegen groen trokken. De alom verguisde verkeerspolitie die weggebruikers geld afhandig maakte. Afghaanse militairen die naast een lekkende tankwagen een sigaretje wilden opsteken. (ware het niet dat mijn chauffeur dat met een schreeuw door het raam voorkwam). Dat zag ik allemaal zolang ik mijn ogen de kost kon geven. Want zodra controleposten of andere auto’s naderden trok ik de grote witte hoofddoek met borduursels zo ver mogelijk over mijn gezicht.
Toen de vallei zich vernauwde en de bergen aan weerszijden van de weg steiler en hoger werden, minderde mijn chauffeur even vaart om te kunnen bidden dat de Taliban die vanaf de hoogte af en toe tankwagens of militaire konvooien onder vuur nemen, zich vandaag gedeisd zouden houden. Dat deden ze. Ook roversnest Sarobi dat ongeveer halverwege de route ligt, reden we zonder problemen voorbij.
De terugweg liep eveneens gesmeerd. Totdat we bij de toegangsweg naar Kabul op een van Afghanistans schaarse agentes stuitten. Het leek me behoorlijk afmattend om in de stoffige hitte de verkeersstroom te inspecteren, maar dat deed niets af aan haar oplettendheid. Haar vrouwelijke oog moest iets on-Afghaans aan mijn vormeloze verschijning op de achterbank hebben opgemerkt, want vanachter haar zwarte sluier vroeg ze op onverbiddelijke toon om mijn paspoort. Voordat ik kon vragen wat haar aandacht had getrokken, werden we jammer genoeg al weer voortgestuwd door de rest van het ongeduldig toeterende verkeer.
vrijdag 12 maart 2010
The special forces from the God
Het voorjaar is gearriveerd. Een van de drie amandelbomen in de tuin bloeit met tere rose bloesems. De tarweakkers buiten de stad dragen al een waas van groen. Nog even en het platteland zal op zijn mooist zijn.
Mijn chauffeur Najib en ik waren onderweg naar de vlooienmarkt naast de Amerikaanse legerbasis Bagram, zo’n veertig kilometer ten noorden van Kabul. Daar raakte ik aan de praat met een jonge handelaar. Hij had nog nooit een Amerikaanse militair gesproken, al verbleven die slechts enkele tientallen meters verderop, maar van Amerikaanse produkten wist hij daarentegen des te meer. Die waren namelijk zijn handelswaar. Vanuit het legerbolwerk wordt van alles gestolen of doorverkocht en ook de hearts and minds presentjes die Amerikaanse troepen in dorpen uitdelen vinden vaak hun weg naar het Afghaanse Waterlooplein.
Zo had hij bruine pakken MREs (Meals Ready to Eat), blikjes Muscle Milk, tasjes met Operation Enduring Freedom Afghanistan, slaapzakken en poloshirts in de aanbieding. Het gerucht gaat dat er zelfs minder onschuldige waren zoals wapens en nachtkijkers verkrijgbaar zijn, maar wij konden die niet vinden.
Najib kocht een doosje Amerikaanse pleisters tegen blaren. Ik tikte voor drie dollar een lichtgewicht koffiebeker op de kop met een soldaat onder hemelsblauwe vleugels en de tekst www.soldiersangels.org. Toen ik het adres later intypte op internet bleek het de website van een steungroep voor militairen te zijn. Ze organiseren akties zoals Hike for our Heroes of Give Easter to a Military Family.
Angels, het kostte moeite dat woord aan Najib uit te leggen. Hij fronste een tijdje hevig, maar toen ik met mijn armen vlieggebaren maakte, verhelderde zijn gezicht. “Ah, the special forces from the God.”
Ik besloot te trakteren op een Gatorade Nutrition Shake met aardbeiensmaak, made in California. Het duurde even voor ik twee blikjes gevonden had waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet verstreken was. Toch werden we er op de terugweg naar Kabul allebei behoorlijk misselijk van.
P.S. Een Afghaanse kennis werd bij een bezoek aan de Amerikaanse basis gewaarschuwd door een lokale klusjesman dat hij niet te dicht in de buurt van de zwarte militairen moest komen. Ze gaven af - dat wist hij zeker.
Mijn chauffeur Najib en ik waren onderweg naar de vlooienmarkt naast de Amerikaanse legerbasis Bagram, zo’n veertig kilometer ten noorden van Kabul. Daar raakte ik aan de praat met een jonge handelaar. Hij had nog nooit een Amerikaanse militair gesproken, al verbleven die slechts enkele tientallen meters verderop, maar van Amerikaanse produkten wist hij daarentegen des te meer. Die waren namelijk zijn handelswaar. Vanuit het legerbolwerk wordt van alles gestolen of doorverkocht en ook de hearts and minds presentjes die Amerikaanse troepen in dorpen uitdelen vinden vaak hun weg naar het Afghaanse Waterlooplein.
Zo had hij bruine pakken MREs (Meals Ready to Eat), blikjes Muscle Milk, tasjes met Operation Enduring Freedom Afghanistan, slaapzakken en poloshirts in de aanbieding. Het gerucht gaat dat er zelfs minder onschuldige waren zoals wapens en nachtkijkers verkrijgbaar zijn, maar wij konden die niet vinden.
Najib kocht een doosje Amerikaanse pleisters tegen blaren. Ik tikte voor drie dollar een lichtgewicht koffiebeker op de kop met een soldaat onder hemelsblauwe vleugels en de tekst www.soldiersangels.org. Toen ik het adres later intypte op internet bleek het de website van een steungroep voor militairen te zijn. Ze organiseren akties zoals Hike for our Heroes of Give Easter to a Military Family.
Angels, het kostte moeite dat woord aan Najib uit te leggen. Hij fronste een tijdje hevig, maar toen ik met mijn armen vlieggebaren maakte, verhelderde zijn gezicht. “Ah, the special forces from the God.”
Ik besloot te trakteren op een Gatorade Nutrition Shake met aardbeiensmaak, made in California. Het duurde even voor ik twee blikjes gevonden had waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet verstreken was. Toch werden we er op de terugweg naar Kabul allebei behoorlijk misselijk van.
P.S. Een Afghaanse kennis werd bij een bezoek aan de Amerikaanse basis gewaarschuwd door een lokale klusjesman dat hij niet te dicht in de buurt van de zwarte militairen moest komen. Ze gaven af - dat wist hij zeker.
Abonneren op:
Posts (Atom)
