maandag 4 april 2016
dinsdag 10 november 2015
Een theehuis in Rangoon
Sinds ik hem twintig jaar geleden leerde kennen, refereerde U Aung Htike met regelmaat aan zijn belofte. Zodra Aung San Suu Kyi met haar Nationale Liga voor Democratie de algemene verkiezingen won, zou hij de klanten in zijn theehuis de hele dag trakteren. Zo wilde hij vieren dat een uitslag die in 1990 door de militairen werd gestolen, eindelijk kwam waar hij hoorde.
Er verstreken donkere jaren waarin die toezegging een onmogelijke droom leek, en zijn terugkeer naar de gevangenis heel wat waarschijnlijker.
Maar vandaag was het dan zo ver.
Als ik hem spreek terwijl hij een stampvol theehuis overziet, beseft hij als geen ander dat er nog een moeilijke ongewisse weg te gaan is. Maar voor nu was het feest. "The people spoke."

zondag 8 november 2015
Aung San Suu Kyi
‘Ah hman ta yar te ne do pawya hmar pe – we zullen de waarheid laten zegevieren,' zei Aung San Suu Kyi toen in de vroege avond van 20 juli 1989 haar huisarrest inging. Nog even liep ze mee naar de overvalwagens om de garresteerde jeugdleden van haar partij moed in te spreken. Daarna verdween ze als staatsvijand Nummer Een jarenlang uit beeld in het Birma van de junta.
Ik moet vaak aan die onverzettelijke woorden denken nu de 70 jarige oppositieleidster haar positie als symbool van morele moed heeft geruild voor een carrière als pragmatische politica. Die eerste rol ligt haar duidelijk heel wat beter dan de laatste.
Terecht voelen journalisten haar aan de tand over haar terughoudendheid om het geweld tegen de stateloze Rohingya's en andere moslims te veroordelen, over het uitblijven van een doortimmerd partijprogramma, over een wat vage houding ten aanzien van de etnische minderheden, over ondemocratische besluitvorming in haar partij en nog meer heikele kwesties. Maar de kritiek slaat ook regelmatig door, en de betekenis die haar verzet vanuit de versleten villa aan University Avenue voor miljoenen Birmezen had in die donkerste jaren van de dictatuur, wordt onderschat of zelfs vergeten.
Ironisch genoeg plaatsten talloze media net als Birmezen Suu Kyi voorheen juist op een voetstuk. De machtsstrijd tussen Suu Kyi en de juntaleiders had een verleidelijk The Beauty and the Beast gehalte: een beeldschone opgesloten oppositieleidster die haar kennis aan gerenommeerde internationale instituten opdeed versus wrede wereldvreemde generaals die hun beslissingen vooral op het advies van sterrenwichelaars baseerden. Ik vond dat al die adoratie ook iets treurigs had, alsof Suu Kyi al tijdens haar leven een martelaar was geworden over wie je geen kwaad mocht spreken.
Zelf verafschuwde ze de heiligverklaring. Net als de aanduiding offer trouwens. “Het is geen offer maar een keuze,” snibde ze tegen me met een rug als een bezemsteel en de armen als een strenge schooljuf over elkaar gevouwen toen ik een dramatische wending in haar levensloop ter sprake bracht. Na een kort ziekbed was haar echtgenoot aan kanker overleden. De autoriteiten hadden een visum geweigerd en Suu Kyi wilde haar land niet verlaten omdat ze vreesde dat de junta haar niet terug zou laten keren. Toen hij duizenden kilometers bij haar vandaan zijn laatste adem uitblies, marcheerden in Rangoon de troepen door het People’s Park. Door een ironische speling van het lot was het 27 maart, de Dag van de Strijdkrachten. Suu Kyi hield in haar huis een ceremonie met monniken en plantte rozen ter nagedachtenis aan haar echtgenoot.
Natuurlijk is het besluit om de kans op een laatste afscheid af te wijzen, wel een offer. En talloze Birmezen noemen het ook zo als ze over Suu Kyi vertellen. “Ze is de enige leider die zo veel voor ons over heeft,” hoorde ik de afgelopen 25 jaar keer op keer. Dat besef vormt de essentie van haar populariteit onder een groot deel ven de bevolking. Al zijn er ook genoeg Birmezen die haar vereren als dochter van Aung San, de vermoorde vader des vaderslands of als degene die na de verkiezingen wonderen gaat verrichten.
Na een periode van prille hoop zijn de hervormingen gestagneerd. Volgens de militaire haviken en hun medestanders, is het eindstation van de route naar een 'gedisciplineerde bloeiende democratie' die ze toezegden al bereikt.
De afgelopen maanden maakte ik mee hoe ook de meest kritische van mijn Birmese vrienden, inclusief prominente journalisten, zich daarom weer net als vroeger achter Suu Kyi scharen. Ze beschouwen haar als de beste optie voor democratisering – al weten ze dat die beperkt zal zijn omdat het leger mede dankzij de grondwet die Suu Kyi bovendien van het presidentschap uitsluit, sowieso veel invloed houdt.
De euforie dat de partij van de vrouw die offers voor hen bracht als winnaar uit de bus gaat komen, waart al door het land. Maar het is de vraag of de militairen die waarheid straks ook zullen laten zegevieren. Na 8 november breken cruciale tijden aan.
vrijdag 4 september 2015
maandag 31 augustus 2015
GENOEG
Daar stond hij dan opeens: mijn Syrische collega. "Het was genoeg," zei hij over het bestaan dat hij achterliet. "Geloof me, echt genoeg."
Daarna volgde bij koffie en Hollandse appelcake het verhaal over een reis die geen mens zou moeten maken.
Toen was het mijn beurt om genoeg te zeggen, ook al had ik dat de afgelopen jaren al zo vaak gezegd.
woensdag 19 augustus 2015
Hoe de beul van Birma kunst en orchideeen koestert
Regelmatig voltrekt zich rond vier uur s middags een ritueel in de kleine kwekerij. Teder begiet een oudere man zijn orchideeën. Soms praat hij tegen de planten - alsof het dierbaren zijn. Dan verdwijnt hij weer zijn villa in, zijn hond Chit Chit (schatje) op zijn hielen. Hoe minder hij gezien wordt, hoe liever het hem is.
“We noemen hem nog altijd Bogyoke (de generaal),” vertelt een medewerkster in het souvenirwinkeltje dat naast de stellages met orchideeën ligt. Maar verder duidt niets in de compound in Noord Rangoon er op dat haar baas Khin Nyunt (75) ooit als hoofd van de geheime dienst de meest gevreesde man van Birma was. Boven vitrines met snuisterijen van jade, houtsnijwerk, potten thanaka (traditionele make-up), prijkt een foto van Khin Nyunt en zijn echtgenote met slingers van jasmijn om hun nek en een witte vredesduif op hun handpalm. Uit een plantenkas die tot café is omgebouwd, geurt eigengebrande koffie. Door het gebladerte van varens en mango- en papajabomen waaruit kraaien krassen, schemert een galerie met schilderijen.
Met een onwerkelijk gevoel nip ik even later van mijn espresso. Wie had ooit kunnen vermoeden dat Khin Nyunt in deze serene omgeving een nieuwe carriere zou beginnen?
Voor de rest van het verhaal lees de NRC van 19 augustus. En bedenk dat de man die meehielp aan het schimmige spel dat Khin Nyunt onttroonde, een week geleden zelf een deel van zijn invloed kwijtraakte. De oude machtsmanoeuvres zijn nog lang geen verleden tijd. Maar of ze net zo effectief zullen zijn als vroeger in dit complexe krachtenveld laat zich raden. "Voorspellingen? lachte een Birmese veteraan journalist en trouwe vriend, "Daar waag ik me niet aan, behalve dan aan deze: dat de komende tijden compleet onvoorspelbaar zullen zijn. Juist ja
“We noemen hem nog altijd Bogyoke (de generaal),” vertelt een medewerkster in het souvenirwinkeltje dat naast de stellages met orchideeën ligt. Maar verder duidt niets in de compound in Noord Rangoon er op dat haar baas Khin Nyunt (75) ooit als hoofd van de geheime dienst de meest gevreesde man van Birma was. Boven vitrines met snuisterijen van jade, houtsnijwerk, potten thanaka (traditionele make-up), prijkt een foto van Khin Nyunt en zijn echtgenote met slingers van jasmijn om hun nek en een witte vredesduif op hun handpalm. Uit een plantenkas die tot café is omgebouwd, geurt eigengebrande koffie. Door het gebladerte van varens en mango- en papajabomen waaruit kraaien krassen, schemert een galerie met schilderijen.
Met een onwerkelijk gevoel nip ik even later van mijn espresso. Wie had ooit kunnen vermoeden dat Khin Nyunt in deze serene omgeving een nieuwe carriere zou beginnen?
Voor de rest van het verhaal lees de NRC van 19 augustus. En bedenk dat de man die meehielp aan het schimmige spel dat Khin Nyunt onttroonde, een week geleden zelf een deel van zijn invloed kwijtraakte. De oude machtsmanoeuvres zijn nog lang geen verleden tijd. Maar of ze net zo effectief zullen zijn als vroeger in dit complexe krachtenveld laat zich raden. "Voorspellingen? lachte een Birmese veteraan journalist en trouwe vriend, "Daar waag ik me niet aan, behalve dan aan deze: dat de komende tijden compleet onvoorspelbaar zullen zijn. Juist ja
woensdag 5 augustus 2015
Herinnering aan een watersnood in Birma
Opnieuw staat een groot deel van Birma onder water. En net als na de tropische orkaan Nargis rammelen overal in de straten van Rangoon burgers met bedelnappen. Studenten, zangers, kunstenaars, zakenlieden, monniken - wie is er niet bezig met hulp aan de naar schatting 1 miljoen getroffenen? Dit is Birma op z'n best.
Anders dan in 2008 staan de autoriteiten professionele hulpverlening vrijwel zonder problemen toe. Ook zelf dragen ze een steentje bij, al gaat dat traag, niet al te competent en soms tegen heug en meug. Maar wie terugdenkt aan 2008 snapt heel goed waarom de meeste Birmezen daar niet op vertrouwen. Die ramp sloeg diepe wonden die zeven jaar later geenszins zijn geheeld.
Mei 2008. Soms zet één foto je wereld stil. Vier tengere kinderen en een man en een vrouw netjes op een rij. Ze ogen bijna sereen. Hun gezichten zijn wasbleek en naar de hemel geheven. Wiens dierbaren zijn het? Wie heeft ze temidden van de tragische chaos zo liefdevol ten afscheid neergelegd?
Ik heb lang naar die foto zitten
kijken, net als iedereen waarschijnlijk die hem onder ogen kreeg. Hij
kwam een paar dagen nadat een Birmese journalist op zaterdag 3 mei om
kwart voor een s middags een e-mail rondstuurde. “Beste collega’s,
we zijn bezig het nieuws over de dodelijke storm te actualiseren.”
Toen bleef het stil. De verbindingen met Rangoon waren grotendeels
verbroken.
Het was meteen duidelijk dat de ramp in
Birma een ramp is die de wereld niet mag zien. Terwijl hulp in de
eerste dagen van zo’n enorme catastrofe van levensbelang is,
hielden de xenofobe generaals de grenzen nagenoeg gesloten. De
situatie was onder controle beweerden ze, veilig en in alle weelde
met hun families in de nieuwe hoofdstad Naypyidaw verblijvend. Ze
gaven opdracht controleposten en wegversperringen aan te brengen rond
het gebied, alsof het een chemische ramp betrof waartegen mensen in
bescherming genomen moesten worden. Zo werd wat begon als een
natuurramp, ook een ramp door mensenhanden.
Slechts na dagen van internationale
kritiek, lobbywerk van landen uit de regio en een bezoek van de
secretaris generaal van de VN Ban Ki-moon, mag er meer buitenlandse
hulp naar binnen. Dat gaat tegen heug en meug en het is lang niet
voldoende voor de honderdduizenden die in grote nood verkeren. De
meeste slachtoffers zijn slechts bezig te overleven, maar talloze
andere Birmezen tonen ondanks de risico’s hun woede en ontzetting.
Net zoals vorig jaar toen protesten van monniken en hun medestanders
door veiligheidstroepen en milities werden neergeslagen. “Wil je
foto’s? Van doden en nog eens doden?” schreven vrienden die
vanuit Engeland met spoed naar huis waren teruggekeerd om hun land te
helpen. Mijn waarschuwing dat ze voorzichtig moesten zijn, sloegen ze
al tikkend in de wind. Een zakenman die zoals veel Birmezen geld voor
de getroffenen inzamelt zei: “We doen wat we kunnen, maar het is
frustrerend dat het niet genoeg is. Zij die het wel zouden kunnen,
bekommeren zich niet in het minst om de mensen.” Ik kende hem als
een keurige persoonlijkheid die zelfs over de hebzucht van de junta
die hij zo vaak met eigen ogen zag, slechts met ingetogenheid
vertelde. Nu kookte hij.
Hun observaties zijn scherp en to the
point, zoals dat gaat bij mensen die geleerd hebben te overleven in
een dictatuur. Een dissident die jarenlang gevangen zat, stuurde me
de weerberichten uit de staatskrant. Dagenlang nergens een
waarschuwing te lezen. Die kwam pas toen het al te laat was. Een
schrijver schamperde: “De soldaten ruimen bomen in Rangoon, terwijl
ze mensen in de Delta zouden moeten helpen.” Sommigen waren nog
omineuzer in hun commentaren. Veel van de slachtoffers behoren tot de
etnische minderheid de Karen en alleen daarom al doet het overwegend
Birmaanse regime volgens hen slechts het minimale.
En terwijl de babylichaampjes als afval
in de bomen hingen, moest de bevolking naar de stembus. De
staatstelevisie speelde een liedje ter aanbeveling: “Laat ons allen
stemmen, met oprechte gedachten voor gelukkige dagen.” Zo werd met
dwang en manipulatie een grondwet aangenomen die de militairen grote
bevoegdheden geeft en oppositieleidster Aung San Suu Kyi als
staatshoofd buiten spel zet. Een duidelijker bewijs dat de junta
koste wat het kost aan de macht wil blijven, is nauwelijks denkbaar.
Een paar maanden geleden sprak ik een
Birmese schrijver in Rangoon toen de protesten van monniken en hun
medestanders nog maar nauwelijks weggestorven waren. Zodra de
avondklok inging, verhevigden de razzia’s. Dan klonken legerwagens
en dreigende stemmen in de verlaten straten. De schrijver vroeg zich
af wanneer voor hem de klop op de deur zou komen. Terwijl onder ons
de top van de pagode de laatste zonnestralen ving en fietstaxi’s
voorbij peddelden als in een trage film, raakte hij in een
bespiegelende bui. Met zijn hese doorrookte stem zei hij: “Kijk
eens, hoe mooi onze stad toch is. Maar onze leiders zijn er uit weg
gevlucht. Vanwege hun vrees voor een invasie en hun bijgeloof, en
vanwege de angst voor hun eigen volk.” Veel vertrouwen in de
internationale politiek had hij na al die jaren niet meer. Hij wist
maar al te goed dat het regime machtige bondgenoten in de regio heeft
en westerse sancties en VN resoluties kan negeren zolang al die
internationale spelers niet tot een gezamenlijke strategie besluiten.
Maar de dag naderde dat de junta vanwege zijn wreedheid, hebzucht en
incompetentie ten val zou komen, daar was hij van overtuigd. Niet
alleen bij burgers, ook bij militairen groeide de onvrede over de
leiders. “Wij Birmezen zeggen altijd dat ons land drie zonen heeft:
monniken, studenten en soldaten. Twee van hen hebben hun taak
verricht. Nu de derde zoon nog.”
Ik staarde met hem mee naar het
straatbeeld. Het einde van het bewind? Ik kon me er nog niets bij
voorstellen.Uit: Vrij Nederland, mei 2008
vrijdag 17 juli 2015
De Maestro van Bagdad
"Uit
de speakers van de blinkend witte Range Rover galmt Puccini's Tosca.
Aan het portier slingert een donkerblauw kostuum met krijtstreep met
pochet mee met de manoeuvres door het chaotische verkeer van Bagdad.
Ondertussen praat dirigent en cellist Karim Wasfi alsof zijn leven
ervan afhangt. De verhalen komen in flarden en ze klinken als
salvo's. “Muziek houdt me geestelijk gezond, maar niet vanuit een
ivoren toren.” Na een blik opzij waar de Tigris en spitse
minaretten in een mist van stof vervagen: “Alsof de dag des
oordeels nadert.” Bij de volgende uitspraak slaat zijn hand met de
zegelring kortaf op het stuur. “Als intellectuelen moeten we net zo
extreem handelen als IS, maar dan op beschaafde wijze.”
Met
een mengeling van verbijstering en fascinatie maak ik mee hoe het
leven in een ongekend hoge versnelling schiet. Veel van mijn
kennissen in Bagdad zijn gevlucht en de meeste achterblijvers zijn na
decennia van dictatuur en oorlog moe en murw. Apathisch en
fatalistisch noemen ze zichzelf vaak. Bij Karim Wasfi is daarvan
niets te merken. Ik dacht een serene musicus te treffen, maar in
plaats daarvan scheur ik rond met een tornado. Het duizelt me nu al
terwijl ons gesprek nog maar net begonnen is.
Ik ben gekomen om Wasfi te spreken over zijn initiatief om zijn cello te laten wenen op plekken waar aanslagen plaatsvonden. “Temidden
van puin en destructie breng ik schoonheid. Als de dood
onvermijdelijk is promoot ik het leven.”..."
Zie: Vrij Nederland, 22 juli
dinsdag 7 juli 2015
From Burma with Love
Ook bij de Htein Lin kwam in 1998 de klop op de deur van de gevreesde Birmese geheime dienst. Hij werd tot zeven jaar veroordeeld nadat zijn naam was opgedoken in een brief van vrienden die activiteiten tegen de junta wilden organiseren.
Hij had altijd al interesse in schilderen, maar in de gevangenis begon hij te werken met een gedrevenheid die aan het maniakale grensde. Dag in dag uit en vaak ook s nachts. “Schilderen was mijn overlevingsmechanisme. Het was een manier om niet gek te worden,” vertelt hij in zijn sfeervolle appartement in Rangoon dat uitziet op de Shwedagon pagode, Birma's belangrijkste heiligdom.
Elke vorm van expressie was een misdaad. Hij moest al zijn inventiviteit aanwenden om aan materiaal te komen. Met kleine bedragen die zijn familie tijdens schaarse bezoeken meebracht, kocht hij bewakers om om hem aan verf te helpen. Kwasten kon hij niet bemachtigen. Een bevriende verpleger bezorgde hem naalden waarmee hij verf op het doek spoot. Doppen van tubes tandpasta en medicijnflesjes deden dienst als stempels, met de wieltjes van aanstekers rolde hij de verf uit.
Als doek gebruikte hij de katoenen witte longyi’s (sarongs) en hemden die de gevangenen als uniform dragen. “Soms maakte ik een deal met mijn celgenoten. Dan schilderde ik op de ene helft van het uniform voor hen een schilderij en dan kreeg ik de andere helft om voor mezelf te gebruiken.” Aanvankelijk bekeken de gevangen de nieuwkomer die op politieke gronden vastzat met argwaan, maar gaandeweg won hij hun vertrouwen. Hij leerde sommigen van hen lezen en in ruil daarvoor doneerden ze een deel van hun uniform. Zo produceerde hij in het diepste geheim ruim 300 schilderijen en zo’n 1000 schetsen. Dankzij sympathieke of omgekochte bewakers wist hij zijn werk in veiligheid te brengen. Een deel van de doeken vond een plek in het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.
Op de vloer spreidt hij enkele werken uit. Het zijn beklemmende abstracte afbeeldingen van geketende lichamen in pijnlijke houdingen. Het doek Death Row maakte hij toen hij na een politieke toespraak voor zijn medegevangenen in de dodencel belandde. “Daar had ik mijn meest produktieve tijd. Er zaten veel criminelen en de bewakers waren vaak te bang om er binnen te komen.” Het schilderij Six Fingers portretteert een figuur met opgesperde mond en knokige handen waaraan twee vingers ontbreken. Het symboliseert het lot van de gevangenen wier familie de steekpenningen niet kon betalen die moesten voorkomen dat ze naar werkkampen werden gestuurd. Sommige gedetineerden waren zo wanhopig dat ze zichzelf verminkten om onder de dwangarbeid uit te komen.
In 2004 zwaaide zijn celdeur open. Op een foto van die dag staat hij voor de poort van een gevangenis in het zuiden van Birma. Een ontheemde verschijning. Boven een broodmager lijf is zijn gezicht doorschijnend en benig, zijn blik is naar binnen gekeerd. In een plastic zak houdt hij zijn enige bezit: een deken.
Hij wilde de kunst die zo lang verborgen was gebleven zo snel mogelijk vertonen. Kort na zijn vrijlating organiseerde hij een expositie met de titel Nummer 00235. Het nummer waaronder hij als gevangene geregistreerd stond. Maar de tentoonstelling in Rangoon trok zoveel aandacht dat vrienden zich zorgen maakten dat zijn volgende arrestatie nabij was. Toen de Britse ambassadrice over hem en zijn werk hoorde bood ze aan zich over de collectie te ontfermen.
Inmiddels zijn Htein Lin en de tegenwoordig ex diplomate al weer jaren getrouwd. Happy Endings, soms bestaan ze.
Uit One World , juli 2015
dinsdag 16 juni 2015
Terug naar Bagdad
Abonneren op:
Posts (Atom)



